Inhoudsopgave


DE EERSTE VONDSTEN EN DE WAARNEMINGEN IN 1982

In het begin van de 80er jaren van de 20ste eeuw werd er in Zwolle een gasleiding gelegd door de dijk van de Nieuwe Vecht vlakbij de molen ‘De Passiebloem’. De dijk was opgebouwd met o.a. het materiaal dat op de afbeelding hiernaast te zien is. De datering van de (opgeknapte?) dijk kan dan ook op begin 18e eeuw gezet worden. Een paar jaar later werden een aantal woonschepen, die bij de Passiebloem lagen, verplaatst naar de Philosofenallee. Daar moesten voor de nutsvoorziening, aan de kant van de Turfmarkt, gaten in de dijk gemaakt worden en kwam, net als bij de Passiebloem, materiaal tevoorschijn uit het begin van de 18e eeuw.
Mijn conclusie is dan ook dat er in het begin van de 18e eeuw werkzaamheden geweest zijn aan die dijk langs de ‘Nieuwe Vecht’. Een vorm van kanalisering of ophoging i.v.m. overstromingsgevaar? Zie waterartikelen waaronder Dieze Dossier.

lakenlood

Rondom Zwolle zijn de weilanden vergeven met afval dat vroeger o.a. uit beerputten gehaald werd door boeren die hun land er mee bemestten. In dat afval veel scherven en voorwerpen uit lang vervlogen tijden. Dit 17e eeuws lakenlood uit Leiden vond ik in de Marslanden en was mijn eerste vondst met behulp van een metaaldetector. Eind 1981 de eerste vondsten gedaan die met het Kasteel Voorst verband hielden.

1982

Vanaf oktober 1981 t/m oktober 1984 ben ik regelmatig aanwezig geweest op het terrein van het voormalig Kasteel Voorst in Westenholte om daar waarnemingen en vondsten te doen. De officiële opgraving van het kasteel duurde van 22 februari tot 8 april 1982. Vijf weken heb ik daar de technische man van de R.O.B., G. van Haaff, geholpen met de opgraving en opmeting. In ‘Kasteel Voorst 1’ mijn bevindingen en worden mijn eerste contacten met de R.O.B. en A.W.N. beschreven. Om een goede indruk te krijgen van de werkverhoudingen moet u dus nu eerst Kasteel Voorst 1 lezen.

Eind mei 1982 met Ruud van Beek (R.v.B.) op pad geweest. Later kwam Verlinde, de provinciale archeoloog, er nog bij. O.a. gekeken bij de werkzaamheden voor de aanleg van het fietspad Wythmen - Dalfsen. Ik vond daar in de Buurschap Emmen een aantal kogelpotscherven in oude bewoningskuilen (op de hoge zandkop in de bocht van de N747 vlak bij de afslag Hoonhorst). Begin juni belde Ruud mij en bedankte nog dat ik als eerste(!) die scherven gevonden had en vroeg of ik interesse had om mee te gaan om op die plek een opgraving te doen. Met Jaap v. d. Berg, Verlinde en R.v.B. op 4 en 8 juni, in de hitte, een hutkom met aardewerk uit de 9e -11e eeuw bloot gelegd.

Links
Even uitrusten in de hitte. Met pet; R.v.B.. Leunend op de schop Egbert Dikken en de werker Jaap v d Berg.

Foto’s
Verlinde

Een paar dagen later ben ik terug gegaan naar Emmen omdat er een greppel gegraven zou worden om leidingen in te leggen. Ik vond toen een paar prachtige kogelpotranden voor de deur van Poppenallee nr. 15 en heb die toen naar R.v.B. gebracht. “Hoe kom je daar aan” was zijn welkomszin! Ik legde hem dat uit. Hij gromde wat maar ik heb de randen daarna niet terug gezien of iets van de opgraving vernomen totdat ... . Gelukkig was ik lid van de ‘Vereniging tot beoefening van Overijssels Recht en Geschiedenis’ (V.O.R.G.) en daardoor kreeg ik het jaarboek van 1983 waarin ook de archeologische rubriek van 1982 was opgenomen. Daarin een artikel over de vondsten in Emmen. Het artikel was geschreven door R.v.B. en A.D. Verlinde. De tekst begint met de zin: “Eind mei vond de eerste auteur van dit artikel in een vers uitgegraven greppel…” etc.. De door mij gevonden kogelpotranden waren getekend maar waarom de tekst; dat de scherven door R.v.B., die als eerste auteur vermeld was, gevonden waren? Ook was vermeld dat de opgraving gedaan werd door de R.O.B. met medewerking van de A.W.N.! V.d. Berg was daar wel lid van maar ik toen nog niet. De verklaring zal wel zijn dat de R.O.B. alleen de A.W.N. toestond om mee te helpen maar dat een particulier niet officieel mocht helpen? Was ik wel goed genoeg om te graven en de vondsten te doen? In ieder geval was het beschrijven van de opgraving in de Buurschap Emmen voorbehouden aan twee personen die hun naam graag onder een artikel plaatsten om te laten zien dat zij ergens mee bezig waren geweest. Anderen waren niet belangrijk. Als extra informatie nog het volgende: jaren later kreeg ik een krantenartikel onder ogen uit 1981. De heren Goutbeek en v. Es hadden daar in laten vermelden dat o.a. de buurschappen Emmen-Lenthe-Wythmen en Herfte vroeger aan de Vecht gelegen zouden hebben. In het artikel was een plattegrond opgenomen waarop verschillende prehistorische vindplaatsen ingetekend waren. Zodoende verklaarden zij de loop van een vroegere ‘Vecht’(arm). Dat R.v.B. en Verlinde de aanleg van het fietspad wilden volgen is mij nu duidelijk geworden. Tijdens onze waarnemingen/opgraving in 1982 is mij van dat krantenartikel niets verteld en dat geeft weer aan dat zij zelf er belang bij hadden om te scoren. Ik mocht mee om te graven. Als opmerking hier nog dat de persoon v. Es. directeur van de R.O.B. was. Ons kent ons dus.

Nadat ik de publicatie (eind ’83 dus) over de opgraving in Emmen onder ogen had gekregen attendeerde ik de beide auteurs er op dat IK de vinder van de eerste scherven was en niet R.v.B.. Zij waren eerst verbaast dat ik ook lid was van die vereniging maar vonden dat ik er geen probleem van moest maken. Dankzij dat archeologisch verslag over 1982 kwam ik er ook achter dat een door mij gevonden schoentje, tijdens de Pletterstraatopgraving, daarin beschreven was zoals u heeft kunnen lezen in Inleiding. Een enkel voorbeeld hoe materiaal bij de R.O.B. binnenkwam zonder dat Verlinde aangaf hoe hij er aangekomen was. Het schoentje was door mij afgegeven aan R.v.B. die het zou doorspelen naar Verlinde.
Bij de opgraving in de Pletterstraat is Verlinde nooit aanwezig geweest maar dat mochten ze bij de R.O.B. blijkbaar niet weten? Leest u gerust verder! Trouwens? Tijdens dat bezoek gaf Olaf mij ook de chemicaliën mee die nodig waren om hout en leer te bewerken zodat ik dat thuis zelf kon doen. Chemicaliën die de lege houtcellen opvulden. Voor die tijd conserveerde ik o.a. hout door invriezing.

Opnieuw wat uitleg

Met welk recht de A.W.N. wel een opgraving mocht doen en een gewone burger niet, was in de monumentenwet niet goed geregeld! Tevens was er steeds onduidelijkheid hoe het met de vondsten ging. Wie er eigenaar van werd; vinder van de vondst of eigenaar van de grond? Volgens de wet was de vinder voor de helft eigenaar en mocht dan de vondst(en) in zijn bezit houden. Je moest elkaar voor de andere helft schadeloos stellen maar meestal mocht ik de vondsten meenemen. Voor het materiaal, dat nog onder de smeer zat, was weinig interesse en als ik dan beloofde om na restauratie iets af te staan was dat meestal al de basis om de spullen, dus met toestemming, mee te mogen nemen. Monsters van de beer gingen, via R.v.B., naar Vincent van Vilsteren (één van de ‘besmette’ jongens!) die dat dan onderzocht om meer te weten te komen over de eetgewoontes. Als ik geluk had zag ik een paar jaar later de resultaten van dat onderzoek in één van de al genoemde bladen afgedrukt! Toen ik Vincent daar op aansprak kreeg ik te horen dat hij niet wist dat ik die monsters in beerputten gevonden had want hij kreeg ze van R.v.B. en ging er van uit dat die het allemaal gevonden had! Later heb ik een enkele maal een afschrift van Vincent, van zijn onderzoeken, gekregen.
Over de vondsten nog het volgende: bij de R.O.B. en stadsarcheologische diensten werkte men op dezelfde manier maar ging het vaak onder het mom van “wetenschappelijk materiaal dat nog onderzocht moest worden”. Teruggeven aan de rechtmatige eigenaar was er zelden bij. Je moest er om vragen!
Alles bij elkaar is het graven, vinden van, eigenaar, restauratie, publicatie, etc. een moeilijke materie die pas vele jaren later, toen ik alles op de spits had gedreven, in verenigingsstatuten en in de nieuwe ‘Monumentenwet’ grotendeels aangepast. Een grote vooruitgang was het artikel waarin vermeld werd: “dat gevonden materiaal een bepaalde periode voor onderzoek beschikbaar moest zijn en daarna terug gegeven moest worden aan de rechtmatige eigenaar.” Een goede regel in de brij van onzekerheden!

Opnieuw locaties

In het Z.A.D. heb ik een hoofdstuk gewijd aan de grafvondst in 1984 op de Ossenmarkt. Op deze site heb ik dat aangevuld met wat afbeeldingen van voorwerpen die tijdens de opgraving in 1982 in de ‘De Hof van Zwolle’ werden gevonden. Over die opgraving, die met tussenpozen plaatsvond van juni t/m september 1982, heb ik een apart hoofdstuk geschreven. In dat verslag wil ik u op de hoogte brengen wat er voor afspraken er met mij gemaakt werden, wat er allemaal bij kwam kijken vóór de opgraving, vondsten die gedaan werden, mijn ervaringen, schoonmaken en restaureren. Tevens leg ik uit waarom er later allerlei problemen ontstonden. Tijdens deze opgraving heb ik veel hulp gehad van Jens van Stralen. Tevens zijn Arnold Carmiggelt, Jaap v d Berg en R.v.B. een aantal dagen aanwezig geweest. Dat de prov. archeoloog Verlinde weinig tijd had en daarom slechts een uurtje in de bouwput was kunt u allemaal in Ossenmarkt 1982 lezen.

Bij de Badhuiswal werd in juli de beschoeiing van de stadsgracht vervangen. Tijdens het afgraven van de walkant dat in de gaten gehouden om te kijken of er nog oude bewoningssporen tevoorschijn kwamen. Dat zou niet onmogelijk zijn omdat de Badhuiswal een restant is van het oude Swoll van vóór de Bastionaanleg in het begin van de 17e eeuw. Later nogmaals daar geweest, achter het (toenmalige badhuis)pand van Hans Borrel. Daar werd een olietank uit de grond gehaald. De tank lag in iets gelig zand waar nauwelijks podsol te zien was.

Vanaf 1982 verschillende malen betrokken geweest bij opgravingen in de Buurschap Wythmen. Dhr. Bruins, iemand die ik niet kende maar regelmatig in z’n uppie in het buitengebied op schervenjacht ging (dan ben je dus niet clandestien bezig?) bleek in een greppel, grenzend aan de Heinoseweg, een aantal Karolingische scherven gevonden te hebben. Later vond hij nog een gedeelte van een zilveren armband. Hij melde dat bij R.v.B. en de eerste opgraving werd op touw gezet. In de jaren er na vonden nog verschillende opgravingen plaats in de greppel en het weiland opzij van de weg die naar ‘Sauna Swol’ gaat. Datering vanaf de 2e eeuw! Gemiddeld waterpeil in de gevonden, laat middeleeuwse (± 1100) boomstamwaterput was, volgens de gegevens van Verlinde, 50 cm + N.A.P.. Uitgebreid verslag in Westerheem xxxIII-6-1984. Toen de (boomstam)waterput ontdekt werd verwachtte ik dat die dan direct uitgegraven zou worden. We zijn er toch? Nee dus! Zaterdags moest dat gebeuren want dan konden anderen daar ook deelgenoot van zijn! Die anderen? Zij die anders nooit interesse hadden? Moest R.v.B. die personen te vriend houden? Ik heb dus afgezegd voor die zaterdag. Had wel iets anders te doen.
De onderzochte plekken zou bewoning gekend hebben vanaf de 2e t/m 4e begin 5e eeuw en vanaf de 8e eeuw langs een oude loop van de Vecht(arm?). Op het terrein zijn ook enkele prehistorische stenen werktuigen gevonden. In Wythmen, blijkt nu, moet er vanaf 700 n. Chr. continue bewoning geweest zijn. Tussen de Romeinse tijd en de aantoonbare Merovingische bewoning blijft evenwel een gat over van enkele eeuwen waar geen bewoningssporen van werden gevonden. (Opmerking: de tijd dat er geen bewoning geweest zou zijn kan dat te maken hebben met het opkomende water tijdens de Romeinse transgressie?) Over bewoningssporen in Wythmen zie in ‘1988-heden’, 1992 ‘Woestijnenweg’.


riool

Rioolwerkzaamheden in de Kamperstraat en Jufferenwal



In 1982 werd het riool vervangen vanaf de Luttekestraat/Eekwal tot in de Jufferenwal. Door omstandigheden kon ik niet altijd daarbij aanwezig zijn. De dagen dat ik wel waarnemingen kon doen zag ik in de sleuf die in de gehele Kamperstraat was getrokken dikke kleilagen en tegenover Kamperstraat 24 de waterput waar in de 16e-17e eeuw de stadspomp op aangesloten was.
Ter hoogte van de Van Hattumstraat bevond zich op die klei een dik pakket mest. Fragmenten van de fundering van de Kamper buiten – en binnenpoort, op de hoek van de Jufferenwal/Kamperstraat, kwamen te voorschijn en konden in samenwerking met de R.O.B. en de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Zwolle worden ingemeten. Oude muurresten en funderingfragmenten van de Luttekepoort waren al eerder in de sleuven van de Luttekestraat, richting Nieuwe Havenbrug, gevonden. Interessant was de waarneming van kleipakketten onder in de sleuf, vooral bij de kruising Luttekestraat, Kamperstraat, Blijmarkt. Op de Jufferenwal groef men net niet diep genoeg door de kleilaag heen om te zien of er in de oude gracht materiaal te vinden was. In de sleuf waren wel funderingsresten te zien van waarschijnlijk het vroegere bastion?
Toen ik mijn waarnemingen deed bleek dat er weinig medewerking was van de opzichters en van de draglinemachinist. Na wat doorvragen kwam ik er achter dat er bij het begin van de werkzaamheden problemen waren ontstaan met de R.O.B. correspondent R.v.B.. Er waren namelijk ijzeren kogels gevonden bij de Eekwal en R.v.B. wilde daar de werkzaamheden stil gaan leggen!! De opzichter had daar geen zin in en R.v.B. was in alle staten en heeft hem stijf gevloekt! Hij moest de kogels van de bouwmensen kopen en heeft toen 50 gulden uit de pot van de A.W.N. gehaald om dat te betalen! De 16 eeuwse kogels zouden afkomstig zijn, volgens R.v.B., uit een munitiedepot dat in die tijd in de lucht was gevlogen. (Waar de kogels gebleven of beschreven zijn?) De in de klei gevonden scherven van Siegburgmateriaal geven aan dat de Kamperstraat waarschijnlijk tot rond 1400 nog open heeft gelegen en regelmatig moet zijn overstroomd. De scherven van een 18 eeuwse steelpan, die ik ter hoogte van het pand van Max Middelbosch aan de Jufferenwal vond, heb ik gerestaureerd en aan Max geschonken.

riool In een artikel, in de Zwolse Courant van 29-09-1998 dat gaat over “Kademuur stamt uit ongeveer 1600”, is de uitspraak van de stadsarcheoloog Hemmy Clevis te lezen “dat 13 jaar daarvoor bij de aanleg van een diep riool er ook een muur werd gevonden maar dat die niet verder was onderzocht omdat er nog geen stadsarcheoloog in dienst was”. Mijn opmerking: het was geen 1985 maar 1982 dat de rioolwerkzaamheden plaatsvonden. De tekst ‘dat er toen geen stadsarcheoloog was’ is juist maar Clevis weet niet dat de muurresten door de Monumentendienst van de gemeente Zwolle zijn opgemeten. Ik verwijs hem naar het Jaarverslag van 1982 van de Vereniging vrienden van de stadskern Zwolle waar R.v.B. enkele gegevens van die rioolwerkzaamheden heeft vermeld. In het jaarverslag van de R.O.B. over 1982 heeft Verlinde de vondst van de muur beschreven. De muur wordt daar als de buiten Camperpoort aangegeven en het steenformaat was 29 x 14 x 5-6 cm. Verlinde geeft nog aan dat de binnenpoort 15 m terug lag en daar was het steenformaat 28/30 x 15 x 7.5 cm. Wist Clevis niet beter of heeft R.v.B. daar nooit met hem over gesproken? Durfde R.v.B. niet te vertellen waarom er problemen gerezen waren en door wie? Zelfbescherming?
In ieder geval blijkt opnieuw dat als ik niet aanwezig was in de binnenstad er weinig onderzoek plaatsvond want R.v.B. ging echt niet met een schop een bouwput in en zeker niet in een sleuf waar allerlei werkzaamheden nog aan de gang waren.


Hier een foto die genomen is aan de ‘Buitenkant’,achter het Hopmanshuis, toen daar een overstortput gemaakt werd. Aan de overzijde de gebouwen van de firma Schaepman aan de ‘Frieschewal’. Op de foto is duidelijk te zien dat bovenop de oude gracht in het verleden een dikke laag zand is opgebracht. Net onder dat zand, waar het water staat, kwam de oude gracht tevoorschijn.


In 1982 was men begonnen met het slopen van de oude pakhuizen aan de Thorbeckegracht. Toen deze weg waren werd er een plan gepresenteerd voor appartementen. Grote consternatie was er over het ontwerp. Veel te modern op die plek en het eind van het lied was dat Burgemeester Drijber, op de avond voor zijn vertrek uit Zwolle, zijn handtekening niet wilde zetten. Deze weigering was niet vaak vertoond in ons land en een nieuw plan moest gemaakt worden. De meeste Zwollenaren zijn hem er nu nog dankbaar voor want de huidige woningen op die plek passen veel beter in het stadsbeeld. Of de kleurstelling door een ieder wordt gewaardeerd is een ander verhaal!
Toen met de sloopwerkzaamheden begonnen werd ben ik regelmatig gaan kijken want R.v.B. had geen interesse en ik moest mijn gang maar gaan zei hij. Op de dag dat ik middags naar de museumtuin werd geroepen, zie verder in de tekst, was de dragline net begonnen om de grond naast de gracht weg te graven en kwamen er op 2 m diepte 1,2 m dikke afvallagen tevoorschijn. Deze werden op vrachtauto’s geladen en afgevoerd! Niemand was verder aanwezig om dat alles in de gaten te houden en nadat ik een dag later terug kwam bleek de meeste grond al verwijderd te zijn. Ondertussen was het gaan regenen en was alles één grote drabbige massa geworden. Met behulp van de detector heb ik er nog verschillende voorwerpen uitgehaald. Als datering voor het begin van de stortlaag kan gelden rond 1600. Die tijd komt zo’n beetje overeen met het begin van de Bastionuitleg toen Zwolle de stervorm kreeg zoals die nu nog aanwezig is.
Als ik niet bij het museum geholpen had dan was er bij de Thorbeckegracht meer uit de stortlaag gekomen en had ik meer waarnemingen kunnen doen. Nu dus niet en redden wat er te redden viel. Mijn conclusie over de stortlagen is dat de Thorbeckegracht daar ter plaatse vóór 1600 breder geweest moet zijn. In het artikel Plattegrond van Zwolle is een kaart afgebeeld die gemaakt is rond 1545. De Thorbeckegracht (de straat dus) is daar getekend als een vrij smal weggetje. De meeste huizen die nu aan de straatkant staan en de huizen aan de Menno van Coehoornsingel zijn er pas na de Bastionuitleg? neergezet. Dit neem ik aan omdat er op de kaart van 1545 op die plaats geen huizen te zien zijn en op die van Blaeu uit 1649 een enkele rondom de ’Dieser-buitenpoort’. De gracht was op de plek waar de appartementen gerealiseerd werden duidelijk breder, zoals te zien is op de kaart van 1545. Zie ook WW2 | Ontstaan Zwolle. R.v.B. wilde voorwerpen voor het museum hebben maar ik zei hem dat als hij geen interesse toonde en niet meehielp het museum ook niets kreeg. Opnieuw; ik in mijn eigen tijd werk doen en anderen die er van willen profiteren!

Op beide afbeeldingen, van verschillende kanten, is het inbrengen van de stalen damwand te zien nadat de resten van de stortlagen afgedekt waren met schoon zand. Onder de appartementen is later een grote parkeerkelder gegraven maar ik heb geen tijd gevonden om daar verder onderzoek te doen. En anderen bleken er dus ook niet in geïnteresseerd te zijn!

In de Herfstvakantie aan het werk geweest opzij van de weg naar Sauna ‘Swoll’ bij Wythmen.R.v.B. had alles geregeld en ook bepaald waar de sleuven zouden komen. Waarom haaks op de greppel waar de vondsten in gedaan waren? Omdat het Herfstvakantie was konden veel jongeren voor het graafwerk gebeld worden. Zij hadden toch vrij! 1e dag ± 25 personen, 2e dag regen en toen alleen dhr. Hammer, V.d. Berg, R.v.B., Richard en ik. Hoorde van Hammer dat HIJ de urn bij het viaduct (Ommen?) gevonden had en niet R.v.B.. De urn is in het museum Enschede. Bruins alleen 1e dag gezien! Pas in de middag liet R.v.B. de 2e sleuf graven. Ik werd gevraagd door R.v.B. om met de detector te lopen. Hoorde later dat R.v.B. de heren Esselink en Hasselt ook gevraagd had! Zij waren geen A.W.N.ers maar aangesloten bij de Coinhunters! Avonds zijn Esselink en Hasselt bij mij op bezoek geweest.

Museumtuin

8 november 1982: om 16.30 uur werd er met mij, bij de Thorbeckegracht, contact opgenomen over een vondst in de museumtuin. Of ik even mee wilde gaan. (Opm.: R.v.B. bleek gebeld te zijn maar had geen interesse! Hij nam nog niet eens de moeite om te kijken terwijl hij dicht bij het museum woonde! Omdat hij wist dat ik bij de Thorbeckegracht aan het werk was gaf hij dat door!) De vondst was gemeld door Kraayer van de Wezo aan Lidy van Dijk. Lidy is conservator van het museum maar had blijkbaar ook geen zin om te graven en daarom haalde men mij op? Tijdens werkzaamheden in de tuin bleken er onder het kippenhok oudheden te liggen. Nadat ik gearriveerd was geconstateerd dat het materiaal ingegraven was en toen het gat groter gemaakt en verschillende voorwerpen naar boven gehaald. De bronzen beeldjes en munten werden zo snel mogelijk door de suppoost Beumer naar binnen in het museum gebracht zodat het niet in het zicht kwam! Er mocht niet over gesproken worden! Tja, waarom in de doofpot? Via een paar ingewijden vernam ik dat het vermoeden bestond dat de oud-directeur van het museum waarschijnlijk het materiaal begraven had omdat hij geen zin had om het te onderzoeken en te verwerken! Materiaal dat o.a. toebehoorde aan het Natuur Historisch Museum. Omdat ik niet zo van doofpotjes houd een journalist van de Zwolse Courant gebeld en zij hebben toen een artikel geplaatst.
Het krantenartikel spreekt voor zich. Toen dat uitkwam was er grote consternatie en was men er verbaasd over dat de krant alles wist. Er mocht geen verder onderzoek in de tuin plaatsvinden. Meegeholpen t/m 9 nov. 14.00 uur. Daarna naar de Thorbeckegracht gegaan.

Maandag 6 december
R.v.B. belde over Wythmen. In de Zwolse Courant had op 4 december een artikel gestaan over landbouwer Kok die in zijn voortuin aan de Heinoseweg, tijdens het aanleggen van een antieke waterpomp, een Karolingisch potje had gevonden (zie Wythmen). Ik had, voor ik dat artikel las, niets vernomen van de vondst van dat potje terwijl ik regelmatig geholpen had bij opgravingen in Wythmen! R.v.B. vertelde tijdens dat telefoongesprek dat de scherven in de sleuf, bij de eerdere opgraving, Merovingisch waren. Of ik nog kwam om te helpen want hij ging samen met Verlinde bij Kok aan de slag. (Dus hadden ze weer een graver nodig!)
Ik vertelde dat ik bij de Thorbeckegracht nog aan het werk was en dat ik daarna, als ik tijd over had, nog zou komen. Toen ik bij Kok aankwam bleek er een plek uitgegraven te zijn van 13 m bij 2 m en 50 cm diep. Er was niets meer gevonden. Geholpen met dichtgooien van de kuil en meteen voorgesteld dat ze de volgende keer eerst een stuk plastic over het gras moesten leggen zodat je dat plastic op kunt pakken en de grond zo in het gat kunt terugstorten. Veel tijdwinst krijg je daardoor. Waarom niet rondom de waterpomp gegraven? Daar was namelijk bij het inbrengen van de leiding het Karolingische potje naar boven gekomen! Verdere gravers: Bruins, R.v.B., Verlinde, en een jongetje waarvan ik de naam niet kende. Opmerking 2012: ik las later in R.O.B. overdrukken 269 een verslag van Verlinde over die aardewerkvondst en het blijkt dat door Bruins die vondst al tijden daarvoor aan Verlinde gemeld was!

In december vielen huizen aan de Vijfhoek ten prooi aan de slopershamer maar omdat er nauwelijks medewerking van het sloopbedrijf was kon in eerste instantie weinig waargenomen worden. Vlak onder het maaiveld kwam 14-15e eeuws blauw grijs- en Siegburg aardewerk te voorschijn. Aan een muur enkele 17 eeuwse witte tegels.

In de Musschenhage te laat aanwezig bij sloopwerkzaamheden. Alleen nog wat 17 eeuwse scherven gevonden.

Zamenhofsingel
Voor het bouwen van de Raad van Arbeid werd een bouwput gemaakt. Hier kwam allerlei 17-18e eeuws materiaal tevoorschijn waaronder een strijkglas. Geen medewerking gekregen. Kan de opvulling te maken hebben met een oude kolk waar het huisvuil van de stad in gedumpt is?

Op de kaart van 1545 is te zien dat er boven de Thorbeckegracht een driehoekig weiland aanwezig is met daarom heen een weg waar bebouwing is getekend. Waarom alleen daar die bebouwing? Of mochten daar geen huizen staan i.v.m. een eventuele belegering van de “Dieserpoort” waardoor de vijand zich in die huizen zou kunnen verschuilen? Later is daar tijdens de aanleg van de Bastions, 1600-1623, de ‘Buitengracht’ en ‘Klein Grachtje’ gegraven. Heeft men grond uitgegraven voor de aanleg van de Bastions en is die plek later weer dichtgestort?