Inhoudsopgave


INLEIDING

Misschien had het beter misleiding kunnen heten? Ik probeer hier een aantal gebeurtenissen weer te geven die bepalend zijn geweest voor de samenwerking tussen mij en de provinciale archeoloog A.D. Verlinde en Ruud van Beek (R.v.B.). Situaties die ontstonden behandel ik en ik geef daarbij dan meteen informatie die ik veel later te pakken kreeg en waardoor bepaalde zaken mij steeds duidelijker werden. Het is moeilijk om bijvoorbeeld een gebeurtenis uit 1982 of 1983 te beschrijven zonder de latere gegevens te vermelden. Net als ‘Voorwoord’ moet u ‘Inleiding’ gelezen hebben om een mening te kunnen vormen over mijn jaren in de archeologie.

Mijn kennismaking met de archeologie in Zwolle

In het winterseizoen van 1981/82 bezocht ik een cursus in het Provinciaal Museum (P.O.M.) te Zwolle. De cursus werd gegeven door de prov. archeoloog Verlinde. Hij zou op verschillende zaterdagen prehistorie en de Middeleeuwen behandelen. Dat de Middeleeuwen aan bod zouden komen had er mede mee te maken dat de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (de R.O.B. heet nu Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) begin 1982 een onderzoek wou uitvoeren op een terrein in de wijk Westenholte van de gemeente Zwolle.
Het vermoeden bestond dat in dat terrein de resten zouden liggen van het Kasteel Voorst. R.v.B., zo vertelde hij mij tijdens die opgraving, had dat terrein gevonden toen hij nog in dienst was van het kadaster. Later hoorde ik dat hij na lezing van de Overijsselse Almanak van 1837, waar een reconstructietekening in stond van het Kasteelterrein, het perceel via zijn kadasterkaarten gelokaliseerd had! In 1974 heeft het Ministerie van C.R.M. het terrein op de lijst van archeologische monumenten geplaatst. Het terrein heeft als veldnaam ‘de Steen’. De boer die het weiland bewerkte klaagde steeds dat er veel puin in de grond zat. De boer was dan ook in Westenholte bekend als “De Steenboer”! Opzij van ‘de Steen’ werden in 1978, tijdens de aanleg van de sportvelden van de voetbalvereniging W.V.F., de resten gevonden van een steenbakkerij. Het vermoeden bestaat dat daar de stenen gebakken werden voor de bouw van het Kasteel Voorst. Verderop in de tekst meer over die opgraving. Verlinde zou de kasteelopgraving in 1982 samen met de technische man van de R.O.B., G. van Haaff leiden.


aardewerk

Het Kasteel van de roofridder Van Voorst zoals de schilder dacht dat het er zo uitgezien moest hebben. Olieverfschilderij op linnen door W.J. Jansen 1843, particulier bezit.


Hier wil ik meteen een paar opmerkingen plaatsen om uit te leggen hoe personen met elkaar verweven waren: tijdens latere gesprekken heb ik vernomen dat de aanstelling van Verlinde, om de Kasteelopgraving te leiden, ook binnen de R.O.B. tot een aardige discussie heeft geleid. Prof. Dr. J.G.N. Renaud werd namelijk gepasseerd! Renaud was de man die altijd de Kastelen opgroef. Tijdens de lezing op 22 november 1983, in het P.O.M, sprak ik Renaud. Ik heb hem toen de fragmenten van de 14e eeuwse glazen van de Ossenmarkt 1982 laten zien en hij vertelde mij: “dat hij de gedachte gehad had, omdat hij met pensioen ging, dat hij de leiding zou krijgen van de opgraving! Het was altijd zijn droom geweest om het Kasteel van de roofridder Van Voorst op te graven”! Als genoegdoening? mocht Renaud in 1983 het openingsartikel schrijven in het boek “Het Kasteel Voorst, Macht en val van een Overijsselse burcht”. Natuurlijk is het logisch dat een provinciale archeoloog bij een opgraving in zijn provincie aanwezig moet zijn maar waarschijnlijk was het onmogelijk om twee kapiteins op één schip te zetten! De directeur van de R.O.B., Prof. Dr. W.A. van Es, heeft die beslissing genomen en daarmee basta. Verlinde had dan ook alle steun nodig om zich waar te maken. En dat R.v.B., door zijn “perceelontdekking!”, hem de kans had gegeven om een kasteel op te graven kwam hem dan ook goed uit en waarschijnlijk beloofde hij R.v.B. “eeuwige trouw”. Zoals ik in de daarop volgende jaren bemerkte was Verlinde als prov. archeoloog meestal om de 14 dagen op de dinsdagen in Zwolle om van R.v.B. te horen wat er allemaal voorgevallen was op het gebied van vondsten/waarnemingen. R.v.B. was dan ook een soort van hulpje voor Verlinde en tijdens de opgraving van het Kasteel Voorst was dat niet anders. In het begin van de opgraving was Verlinde nog wel eens op andere dagen aanwezig maar omdat hij ook op andere plaatsen in de provincie zijn gezicht moest laten zien was de technische man van de R.O.B. meestal op zich zelf aangewezen en kreeg dan hulp van ... . Lees verder bij Kasteel Voorst 1.

R.v.B. heeft vanaf 1940 bij het kadaster gewerkt maar werkte ook bij het R.O.B. als parttimer. In het R.O.B. verslag van 1975, dat uit kwam in 1977, schreef Verlinde op blz. 72: “De reeds vele jaren durende, integere en waardevolle inbreng van R. v. Beek zal, naar gehoopt en verwacht mag worden niet afbreken met de beëindiging van z’n contract met de R.O.B.”. In 1976 vond ik in het verslag van de R.O.B. nog de naam van R.v.B. als “Parttime afd. registratie-documentatie”. Waarom ik dit even aanhaal? R.v.B. zat in mijn periode dat ik met de archeologie bezig was altijd te zeuren dat de ritten met de auto, als hij in het buitengebied waarnemingen deed, hem zoveel brandstof kostte. Hij kreeg niets vergoed!!!

Als ik het over vergoedingen voor mij had kreeg ik dat steeds te horen. Toen ik er dus later achter kwam dat hij bij de R.O.B. als parttimer te boek stond kon ik mij niet voorstellen dat hij geen vergoeding kreeg! Was hij bang dat indien bij de R.O.B. bekend werd dat ik alle werkzaamheden in de binnenstad verrichtte en wel eens een vergoeding voor mijn onkosten wilde, hij buiten de boot zou vallen? In ieder geval heeft hij mij altijd voorgehouden dat hij nooit ene cent ontvangen heeft. Dat ik wel eens een vergoeding wilde hebben had te maken dat ik zelf alle gereedschappen in mijn bezit had. Van waterpomp tot plastic zakjes om de vondsten in te doen. Dat alles werd vervoerd in mijn auto die ik op de plaats van de opgraving wilde kunnen parkeren. Leden van de A.W.N. die wel eens hielpen bij een opgraving maakten van mijn gereedschap gebruik en er verdwenen ook wel eens gereedschappen maar nergens kon ik een schadevergoeding claimen! R.v.B. had thuis twee schoppen die hij bewaarde voor als hij zelf eens in het buitengebied het grondoppervlak moest schaven! Jaren later heeft de A.W.N. zelf een waterpomp aangeschaft maar dat was al aan het eind van mijn “carrière”! Over de parkeerproblemen etc. in de andere hoofdstukken meer.

gemeentebestuurR.v.B. zijn contacten met het R.O.B. dateerde al vanaf de zestiger jaren. Maar na de opgraving in 1973/74, op het terrein waar het stadhuis van Zwolle zijn uitbreiding kreeg, verstevigde dat contact alleen maar. R.v.B. was toen één van de geïnteresseerden / aanwezigen tijdens die opgraving. Vreemd was wel dat er maar één was die officieel toestemming had van de gemeente om dat terrein te betreden en waarnemingen te doen en dat was Jaap van de Berg. Later zijn de partijen tot elkaar gekomen en zijn op het terrein verschillende vondsten gedaan die nu nog te zien zijn in de hal van het oude stadhuis. De opgraving, vondsten en conclusies zijn o.a. door R.v.B. beschreven in: “Zwolle in de Middeleeuwen (1974)”. Mede auteurs waren o.a. Ing. Dirk de Vries en Vincent van Vilsteren. Deze twee zijn Zwolse jongens die mede dankzij R.v.B. maar ook door Gert Oostingh “klaargestoomd werden en voorzien van het virus” om archeologie/geschiedenis tot hun beroep te maken. R.v.B. heeft vanaf het eind van de zestiger jaren goede contacten gelegd met o.a. de directeur (1965-1988) van de R.O.B. Dhr. Van Es. Later komen voornoemde personen terug in mijn verslaggeving aangevuld met de persoon Arnold Carmiggelt.

Terug naar de cursus

De bedoeling was om je kennis bij te brengen over voorwerpen uit de periode van het kasteel. Als je als vrijwilliger op het terrein aanwezig was moest je aan het eventueel gevonden materiaal kunnen zien uit welke tijdsperiode het afkomstig was. Verlinde kwam echter niet verder dan de IJzertijd-Romeins. Waarom geen extra les of een vervolgcursus? Had Verlinde niet zoveel verstand van de Middeleeuwen? Als je het kasteel, dat een verleden moest hebben tussen 1200-1362, wilt opgraven dan moet je toch ook kennis hebben van dat materiaal? De planning van de cursus was niet zo geweldig want de laatste zaterdagen vielen in de beginperiode van de opgraving! Hoe kun je zoiets bedenken!
Opm. 2012: mijn inschatting bleek toen, maar zeker achteraf, wel te kloppen want toen ik in Zwolle mijn onderzoeken deed had ik weinig steun aan al die personen, inclusief Verlinde, omdat ze geen inzicht hadden in de voorwerpen die in de Middeleeuwen en daarna in gebruik waren geweest. Mijn dateringen van voorwerpen werden tijdens verschillende opgravingen in twijfel getrokken want ja, wie was ik? Op de cursus was ook de oprichter van de “Coinhunters” Henk Hasselt, die, zoals hij zei, oudheden wilde leren kennen. Henk zal verschillende malen in mijn verslaggeving vermeld worden.

Er werd door de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (A.W.N.) afd. IJsseldelta-Vechtstreek, wel een aparte avond gepland om informatie te geven over de ophanden zijnde opgraving. Mijn interesse was gewekt.

ijzerIn oktober 1981 was ik op visite geweest bij vrienden in Westenholte en kwam langs de plek waar de gemeente een bruggetje had laten maken. Het bruggetje verbond de Weidesteenlaan met het aan te leggen Stinspark. Het park zou komen op het terrein waar het Kasteel Voorst gelegen zou hebben. Gaten waren geboord voor de palen van het brugje en de grond en het talud bleken bewerkt te zijn. Tussen de grondresten, dat aan de kant lag, vond ik een klomp ijzer, resten van kloostermoppen, scherven van steengoed en van 14e eeuws Siegburgaardewerk. Het gerucht gaat dat de werklieden weg zijn gegaan met een aantal Siegburgkannetjes! De klomp “roest” heb ik behandeld en bleek een prachtige bijl te bevatten. In november 1981 zou er in het P.O.M. een lezing plaatsvinden van archeoloog Borman. Maar door omstandigheden (het slechte weer) kon hij niet komen en werd er een geïmproviseerde avond ingelast en konden geïnteresseerden vragen stellen over de Kasteel opgraving. Ik had mijn vondsten meegenomen om deze te laten zien. Ze werden totaal genegeerd!! Over de bijl werd lacherig gedaan en was natuurlijk niet uit de tijd van het kasteel! Duidelijk geen kennis van zaken hadden de aanwezige “kenners”. Pas NA de opgraving van 1982 werd de bijl door het R.O.B. herkend als een 13 - 14e eeuwse! en getekend zodat hij in het boek, op blz. 52, nog afgedrukt kon worden. De prov. archeoloog Verlinde heeft de bijl aangekocht voor het museum. Tja! Bij het brugje is nooit verder onderzoek gedaan.
Op de voorlichtingsavond was ook Verlinde aanwezig. Ik bemerkte dat er veel wrijving was tussen verschillende personen. Aan de ene kant Verlinde en R.v.B. en aan de andere kant Herman Kamphuis. De laatste had een maquette gemaakt van het kasteel met z’n grachten zoals hij dacht dat het er uit zou hebben gezien. Herman bleek ook, zoals ik later van hem hoorde, op de hoogte te zijn van de tekening uit 1837 en het gegeven dat op het terrein in 1825 en 1836 de muren van het kasteel waren afgebroken!!! (Achteraf bleek Herman met zijn mening over het kasteel volkomen gelijk te hebben en heb ik er nog voor gezorgd, na een gesprek met de directeur van het P.O.M. J.W.M. de Jong, dat de maquette op de tentoonstelling kwam te staan. In de catalogus onder nr. 41 vermeld.) Herman had luchtfoto’s van de R.A.F. bestudeerd en op die foto’s waren duidelijk de contouren van het kasteel en zijn grachten te zien. Verlinde en R.v.B. waren verbaasd dat Herman foto’s van de R.A.F had gebruikt. Volgens mij, dacht ik tijdens die avond dus, was het meer wrevel dat zij zelf daar niet aan gedacht hadden maar dat niet wilden bekennen! (Maar later bleek dat Herman de foto’s beter had geïnterpreteerd.)
Toen ik jaren later in het bezit kwam van het opgravingverslag uit 1978 verklaarde dat een boel. In dat verslag werd een opgraving beschreven die plaats had gevonden op het weiland waar de sportvelden van de voetbalvereniging W.V.F. werden aangelegd. Dit weiland ligt naast het perceel waar de overblijfselen van het Kasteel Voorst werden vermoed. Tijdens die opgraving in 1978 werden resten van een steenbakkerij gevonden terwijl de verwachting was dat daar de voorburcht van het kasteel gevonden zou worden! Die verwachting was gebaseerd op het artikel en de tekening in de Overijsselse Almanak van 1837! In de video twee afbeeldingen van plattegrond en gevonden steenlaag uit de bakkerij.

Verlinde schrijft in dat 1978-verslag: “Waar moet de voorburcht dan wel gezocht worden? Wanneer bij later onderzoek zou blijken dat de voorburcht niet op hetzelfde perceel als de hoofdburcht is gelegen, is deze voorburcht waarschijnlijk ten noorden van het kasteelterrein te lokaliseren, waar de veldnaam het Steentje op kan wijzen”. Of hij hier hetzelfde perceel bedoelt die hij in dat zelfde verslag perceel nr. 231 “de Steen” noemt? Uit de tekst is dat wel op te maken maar zo kunnen er wel misverstanden ontstaan!


Verder schrijft hij nog dat in een paar gemaakte dwarsprofielen, in de sloot die om het perceel lag, veel puin en Siegburgscherven gevonden werden. Over de plattegrond in de Almanak weet hij te vertellen dat die “in meer opzichten discutabel is”. Hij gaat er vanuit dat de ingetekende ovale vormen niet kloppen en dat hij na onderzoek van LUCHTFOTO’s ervan overtuigd is “dat hoofdburcht en binnengracht een min of meer vierkante aanleg hebben gehad. De binnengracht is in 1837 ovaal weergegeven op basis van de toen nog zichtbare grachtverloop. Van elders weten we echter dat grotendeels toegeworpen vierkante, rechthoekige grachtenstelsels een rond/ovaal restant kunnen achterlaten”. Dus Verlinde zijn opvatting was dat waarschijnlijk de voorburcht noordelijker van het kasteelterrein zou liggen en dat de vorm van hoofdburcht en binnengracht een min of meer vierkante vorm zou hebben. Dit alles gebaseerd op de tekening(en) die hiernaast te zien is/zijn.

gracht

gracht

Boven
Ingekleurde tekening uit de Almanak van 1837.

Onder
De schetstekening uit “Monumenten in Nederland” laat zien dat er aan de onderzijde een breek zit in de buiten en binnengracht. Had dat iets te maken van waar het water vanuit de (gekanaliseerde?) Wetering de grachten kon binnen stromen? De Wetering vinden we aan de onderzijde van beide kaarten en is waarschijnlijk een oude restbedding van de IJssel. Op de R.A.F. foto’s is te zien dat de Wetering in het verleden veel breder moet zijn geweest en doorstroomde richting waar nu de IJssel stroomt. Op beide tekeningen is een muur getekend rondom de binnengracht. Tijdens de opgraving in 1982 bleek dat door de 18 en 19 eeuwse steenopruiming er op het terrein in de ondergrond nauwelijks steenresten meer aanwezig waren. Een goede reconstructie van het kasteel en zijn ommuring was dan ook niet mogelijk. Een belangrijk verschil in de twee afbeeldingen is de vorm van de hoofdburcht. Wat mij verder opvalt is de ingetekende noordpijl die behoorlijk afwijkt van de werkelijke situatie!
In Kasteel Voorst 1 de officiële tekening van de reconstructie van het kasteel en zijn grachten na de opgraving. In Kasteel Voorst 2 de reconstructietekening met mijn aanvullingen.



Nog even de voorlichtingsavond en mijn kennismaking met R.v.B.


Omdat ik toen op die avond nauwelijks beide partijen kende en totaal niets van de geschiedenis van het kasteel of van de kasteelbouw afwist, de discussies aangehoord. Het bleek dat Verlinde en R.v.B. een veel groter kasteel voor ogen hadden (zoals in Frankrijk) dan Kamphuis. Kamphuis gaf aan dat hij het belachelijk vond dat ze, zonder dat er iets bekend was, een veel groter terrein gingen afgraven dan nodig was. In ieder geval lagen beide partijen elkaar niet. Verlinde en R.v.B. bleven van mening dat er een proefsleuf gegraven zou worden die een honderd meter verder begon dan waar Herman dat gedacht had. Verlinde en R.v.B. bleven ook bij hun mening dat de Voorburcht op het hoger gelegen terrein moest liggen! Achteraf dus een week verspilling want vanaf de Steenboerweg werd de eerste sleuf gegraven!!! (De luchtfoto’s waren te zien op de tentoonstelling. Nr. 40 catalogus.) Later vernam ik dat Kamphuis de oud voorzitter was geweest van de A.W.N. maar dat hij al eerder aanvaringen had gehad met R.v.B. en toen gestopt is met het voorzitterschap. Met R.v.B. bleek het moeilijk samen te werken. Daar kwam ik later ook wel achter. Zolang je het hem maar naar de zin maakte was alles oké maar o wee als je dwars ging liggen. Dan was je niet goed en een klootzak etc.. Dat gold ook voor de samenwerking met Verlinde. Blijkbaar werkt dat zo in het wereldje waar alles draait om aanzien, prestige en titels!

Verlinde zou de opgraving (mede) leiden en R.v.B. zou tijdens de opgraving de afdeling van de A.W.N. vertegenwoordigen. Hij wilde er voor zorgen, als veldcoördinator van de afdeling, dat leden van de A.W.N. ook op een zaterdag een opgraving mochten doen. (Zie Kasteel Voorst 1) Die avond was mijn eerste kennismaking met R.v.B.. Hij kwam mij over als een pedant mannetje die naar buiten toe als een heer optrad maar zodra mensen hem te na kwamen vreemd uit de hoek kwam en niet meer voor rede vatbaar was. Dit bemerkte ik in de loop van de tijd nadat ik jaren met R.v.B. mocht samenwerken. Het samenwerken moet u zien als IK werken en R.v.B. soms aanwezig om informatie te verzamelen. Om zijn naam steeds onder de aandacht te brengen beschreef hij, in allerlei verenigingsbladen, jaarverslagen etc., de verschillende opgravingen en gebruikte dan o.a. mijn gegevens. Meeschrijven was niet bespreekbaar dat privilege! behield hij voor zichzelf! Zo hield hij de mythe in stand bij verschillende bestuurders van verenigingen, gemeente en rijksambtenaren en bij het R.O.B., als ‘de archeoloog van Zwolle’! Dat hij vele goede dingen gedaan heeft voor de archeologie staat buiten kijf maar daarom mag een kritische noot niet onvermeld blijven.

In het begin van de kennismaking met R.v.B. was het een alleraardigste man. We waren eens bij hem en zijn vrouw Tine op visite en toen R.v.B. hoorde dat mijn vrouw Netty geboren was in Hattem (tja, daar kon zij ook niets aan doen) kreeg zij van hem een mooie tekening van Hattem. R.v.B. woonde voordat hij in Zwolle kwam in Hattem. Ook kregen wij van hem getekende kaarten als hij met vakantie was of op onze verjaardagen. R.v.B. werd zelfs door mijn vrouw jarenlang de hand boven het hoofd gehouden! want zo’n vriendelijke heer deed toch niemand kwaad?


Hattem

Hier het gezicht op Hattem met rechts nog een gedeelte van de Dijkpoort. R.v.B. heeft ongeveer in het verlengde van de Kruisstraat gezeten aan de overkant van het water op het Hertog Willem-pad.
Rechtsonderaan zijn initiaal; R. Afmeting 30 x 22 cm.


Het sporadisch aanwezig zijn bij opgravingen in de binnenstad van Zwolle maar er wel over schrijven gold ook voor de prov. archeoloog Verlinde. Tussen mij en deze twee personen werden afspraken gemaakt en men was bereid om mij te helpen als hun dat uitkwam. Materiaal dat gevonden werd mocht ik behouden maar ze wilden het wel graag zien om de gegevens te noteren. In het begin leverde dat geen probleem op maar toen ik op de Ossenmarkt 1982 veel 14e eeuws materiaal vond, o.a. de kloten/nierdolk, en dat aan hun meldde, werd mij in een gesprek met R.v.B. en de toenmalige A.W.N. bestuurder Arnold Carmiggelt toch maar even te verstaan gegeven dat zij die voorwerpen wel graag wilden hebben voor het museum. Zij spraken, volgens hun zeggen, namens prov. archeoloog Verlinde. Het kwam er dus op neer dat waar ik eerst de vrije hand had gekregen er plotseling restricties toegepast werden! Over mijn onkosten etc. die ik maakte werd nooit gesproken! Lees Ossenmarkt 1982.


dolk

Zoals hij uit de beerput kwam.


dolk
dolk

De fragmenten zijn door de R.O.B. getekend en ze hebben de dolk daar gerestaureerd. De dolk is 42 cm lang en van ± 1400. Ik was de eigenaar van de dolk maar omdat R.v.B. vondsten van de Ossenmarkt aan het museum had beloofd heb ik de dolk afgestaan en heeft het museum daarvoor een vergoeding betaald. Daarbij kwam ook nog dat ik de restauratie niet zo geslaagd vond. Kijkt u maar eens naar de snijkant want die ligt niet in één lijn maar heeft een ronding wat niet logisch is. Ook hier mocht ik geen commentaar op hebben. Als u Ossenmarkt 1982 gelezen heeft weet u hoe die vergoeding tot stand is gekomen en waarom.