Inhoudsopgave


INLEIDING (vervolg)

Om bepaalde situaties beter te begrijpen het volgende

Zo schreef Verlinde eens dat er tussen 1972-82 nauwelijks meldingen m.b.t. archeologische vondsten waren vanuit Zwolle. Ik vind dat vreemd want toen waren er allerlei bouwprojecten in de binnenstad: Conservatorium gesloopt, Rabobank op de Melkmarkt gezet, het grote winkelcentrum in de binnenstad gebouwd, appartementen in de Kamperstraat en Kalverstraat, Celecomplex gedeeltelijk gesloopt, panden in de Goudsteeg werden opgeknapt, etc..
In 1973 was er wel de opgraving in de bouwput van het stadhuis en in Papenstraat 3 die als Cele ‘73 bekend staat. In hoeverre Verlinde daar bij betrokken was is mij niet bekend. R.v.B. en Gert Oostingh waren/werden in die tijd correspondent van de Rijksdienst. R.v.B. werd later nog bestuurder (trad af op de jaarvergadering van 1982) en veldcoördinator van de A.W.N.. Opm.: Na ik later hoorde waren er medebestuurders die het bestuur verlieten omdat met R.v.B. niet was samen te werken!!
Als veldcoördinator ronselde R.v.B. leden om in het veld opgravingen te doen! Gravers had hij nodig! De correspondentkaart van de R.O.B. betekende in de praktijk dat men de kaart kon laten zien aan aannemers en toestemming kon vragen om in de bouwput onderzoek te doen. In ieder geval was er in de tien jaar voordat ik mij met de archeologie in de binnenstad ging bemoeien nauwelijks belangstelling van “geïnteresseerden” geweest. Waarschijnlijk is dat te wijten aan het volgende: je moet veel kracht gebruiken om in de puinzooi met de schop te kunnen werken. Vaak is het gevaarlijk en ondankbaar werk als er niets gevonden wordt. Als er bijvoorbeeld een beerput ontdekt wordt is het erg smerig en moet je sterk zijn om die leeg te halen. Honderden kilo’s inhoud moeten vaak met een emmer naar boven gehesen worden of je moet de beer met de schop naar boven werpen! Daar waren “heren” niet voor te porren. Dus kon je maar beter niet aanwezig zijn op een bouwwerk dan zag je ook niets en hoefde je ook niet te werken laat staan dat je dus wat te melden had. Daar komt nog bij dat je wel goed moet kunnen communiceren met de jongens van de bouw. In de jaren dat ik met R.v.B. gewerkt heb was dat niet zijn sterkste punt zoals u regelmatig lezen kunt in de artikelen. Als je dan ook nog je handen in plastic zakjes stopt om ze niet vies te krijgen, begrijpt u wel dat R.v.B. niet goed lag bij de jongens van de bouw.
Rond die tijd ging R.v.B., die werkzaam was bij het kadaster, met pensioen en Oostingh kreeg een baan als adjunct-directeur bij de bibliotheek in Zwolle. Hierdoor kreeg Oosting minder tijd voor de archeologie. R.v.B. daarentegen kon door zijn pensionering meer tijd vrijmaken en dan verwacht je dat hij die bouwwerkzaamheden in de binnenstad wel gevolgd zou hebben! Niets dus van dat alles. R.v.B. begon archieven te bezoeken en publicaties te maken over o.a. bewonersaantallen in verschillende provinciën en had als stokpaardje zijn onderzoek naar de ‘Ware Waren’ bij boerderijen en rechthebbende. Dat niemand daar iets van snapte interesseerde hem niet maar achteraf bleek duidelijk dat hij zelf ook de weg kwijt raakte in al die getallen etc.. (Lees in ‘Waar waren ware of … Windesheim’).

Ze zijn goed terecht gekomen de drie ‘besmette jongens’ die tijdens en na de stadhuisopgraving aan de hand van R.v.B. en Gert Oostingh liepen. Vincent als conservator archeologie bij het museum Assen, Dirk als senior specialist bij de Rijksdienst voor het culturele erfgoed, Arnold als hoofd Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam. U begrijpt dat deze jongens R.v.B. en Oostingh veel dank verschuldigd waren en dat zij weinig protesten lieten horen in de tijd dat zij met hun opleiding bezig waren en in het begin van hun loopbaan! R.v.B. kreeg zo zijn ondersteuning en daarom kwam ik wel eens in de verdrukking. Als voorzitter of secretaris van de A.W.N. afdeling hadden deze personen nauwelijks een mening. Hun echte mening vertelden ze mij onder vier ogen! Achteraf is dat wel begrijpelijk maar dat het ten koste van mijn persoon ging is niet goed te praten. Tegen zo’n kliekje was niet op te boksen en daarom schrijf ik in 2011-12 dit alles dan maar op zodat een ieder daar kennis van kan nemen.
Ik wil nogmaals duidelijk stellen dat R.v.B. goed werk heeft gedaan voor de archeologie. Laat daar geen misverstand over bestaan maar veel is gebeurd over de rug van o.a. mijn persoon. Op de site van de Ruud van Beekstichting is o.a. over R.v.B. te lezen: “ Hij was tevens een gedreven mens, waardoor sommigen zich tot hem aangetrokken voelden, maar velen stootte hij daardoor ook van zich af. Met aan zendingsdrang gelijkende opvattingen, wilde hij dat eigenlijk iedereen overtuigd was van het belangrijke dat de bodem van Salland in petto had”. Het afstoten van personen had er meer mee te maken dat hij weinig tegenspraak duldde en dat was niet alleen in de archeologie. Vraag dat maar eens aan zijn oud-collega’s, leden van het Overijssels mannenkoor en aan zijn familieleden.

Om te onthouden

Ruud vertelde mij regelmatig dat hij het jammer vond dat hij zijn studie aan de HBS niet af kon maken i.v.m. de slechte situatie van voor de Tweede Wereldoorlog. Hij had graag archeoloog willen worden! In 1940 is hij in dienst getreden bij het kadaster zoals ik al vermeld heb.
Ik heb geen opleiding in de archeologie en werd als werker gezien en het zou voor R.v.B. niet te verkroppen zijn, want zo zie ik het nu, dat ik een aanstelling als archeoloog of assistent-archeoloog in de provincie Overijssel of bij het P.O.M. zou krijgen. Dit is mijn verklaring waarom ik steeds aan het lijntje werd gehouden en dat ik alleen goed was om het zware werk te doen. Zij konden dan publicaties maken over de opgravingen en vondsten die o.a. door mij werden gedaan. Vandaag de dag noem je zoiets een gedoogregeling. Afspraken over opgravingen, vondsten etc. zijn steeds gemaakt en besproken met R.v.B. en met de prov. archeoloog Verlinde (of via R.v.B., zoals hij mij steeds voorhield, met Verlinde). Jaren later probeerden zij mij zwart te maken met het verhaal dat ik op eigen houtje opgravingen deed! Ik zou illegaal aan het werk zijn! Natuurlijk een zwak verhaal als u mijn opmerkingen in de verschillende artikelen leest. Illegaal en dan wel mijn gegevens gebruiken voor publicaties? Als ik op eigen houtje opgravingen gedaan zou hebben was ik eind 1984 ook niet voorgedragen om de opgraving te leiden bij de nieuwbouw van de bibliotheek in de Spoelstraat!
Er werden zelfs artikelen geschreven door Verlinde van opgravingen waar hij zelf nauwelijks bij aanwezig was geweest maar de informatie van mij, via R.v.B. kreeg toegespeeld! In verschillende artikelen konden zij niet meer om mijn naam heen omdat ik protest liet horen waarom ik niet genoemd werd als ontdekker/vinder van de beschreven vondsten etc.. Hoe strijdig is dat dan allemaal met elkaar? Mij wel toestaan om het werk te doen en gegevens te vinden waar zij van konden profiteren maar toen het er op aankwam dat ik de baan die zij mij beloofde, serieus nam, draaiden zij zich in allerlei bochten.

Jaren is er zo samengewerkt en accepteerden wij elkaar (tot op zekere hoogte). Vanaf dat de opgraving op het kasteelterrein in 1982 had plaats gevonden heeft men zich nog sterker gemaakt voor een stadsarcheoloog. Politici van de provincie en van de gemeente Zwolle werden benaderd, daar kwam ik later pas achter, terwijl men mij lekker maakte met een eventuele baan als assistent van Verlinde (Verlinde wist geen betere!). Toen de vele vondsten van o.a. mij in de courant vermeld werden was dat natuurlijk goed voor de aanvraag voor de stadsarcheoloog. Op die manier werd namelijk de belangrijkheid van het archeologisch onderzoek in Zwolle benadrukt.
Vanaf het begin dat dat spel gespeeld is heeft men bewust er op aangestuurd om een stadsarcheoloog te krijgen die er in afgestudeerd was. Daar is niets mis mee maar dan moet je mij niet van alles beloven.

briefToen ik in 1984 via Jan Hopmans vragen liet stellen aan een gedeputeerde kreeg ik van hem een brief met antwoorden. Vanaf het moment dat de Culturele Raad van de provincie Overijssel zich er mee ging bemoeien, vooral in de persoon van Frits Zeiler, trok die de archeologie naar zich toe en hij wist zelfs zoveel druk uit te oefenen op de A.W.N. dat ook deze vereniging naar zijn pijpen ging dansen!. Op 2 februari 1983 werd in het provinciehuis een studiedag gehouden. Ik had geen uitnodiging!!
noodklok
Frits Zeiler gesproken. Hij zei dat verenigingen de uitnodiging gehad hadden. Waarom ik niet? Ik ben toch degene die met de opgravingen in Zwolle bezig is? Wist hij dat niet? Heb mij bij hem aangemeld voor de studiedag! Op die studiedag waren tal van sprekers uit de wereld van de archeologie en bleken ook Verlinde en R.v.B. tot de sprekers te behoren! Bewust mij buiten de deur proberen te houden? Bang dat ik met mensen aan de praat zou komen en dat ik dan zou zeggen wie de werkelijke opgraver en ontdekker van de vele vondsten was? Tijdens de studiedag lag de nadruk op het stadskernonderzoek en wat daar allemaal bij kwam kijken. Alles draaide natuurlijk op het beschikbaar stellen van gelden. Archeologen en assistenten moesten aangesteld worden en gemeenten moesten hun verantwoording nemen. Professionele (afgestudeerden) mensen moesten in dienst genomen worden. Had ik daarom geen uitnodiging ontvangen?


briefIn die tijd heb ik mij sterk gemaakt om voor zo’n baan in aanmerking te komen en na overleg met Verlinde mij uit laten schrijven als zelfstandige bij de Kamer van Koophandel en mij op 2 februari 1984 in laten schrijven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Dit was nodig, volgens Verlinde, om dat alleen ingeschreven werklozen voor een eventueel assistentschap in aanmerking zouden komen. Dit had te maken met subsidie! Ook de gemeente Zwolle brieven gezonden. Toen er geen antwoord volgde heb ik de plaatselijke politici ingeschakeld die weer vragen stelden aan B&W. Pas in 1987!! kwam er een duidelijk antwoord “Alleen afgestudeerden zouden een kans maken”! Aan het eind van al die jaren van “samenwerking” ben ik vanaf oktober t/m december 1984 nog door de gemeente Zwolle ingehuurd voor de opgraving aan de Spoelstraat waar de nieuwe Bibliotheek ging komen. Dit was met volledige toe/instemming van prov. archeoloog Verlinde, A.W.N. en R.v.B.. Ik zou daar de leiding hebben. Leest u dat artikel maar eens zodat u weet welk spel er met mij gespeeld is. En dan nog beweren dat ik op eigen houtje opgravingen deed!! Toch wisten Verlinde en R.v.B. ook hier weer een draai aan te geven. Namelijk: in het POMflet was in het jaarverslag van 1984-1985, onder het kopje Archeologie en geschreven door Verlinde, te lezen: “Zwolle -Spoelstraat; in november en december 1984 kon de A.W.N. onder leiding van R. van Beek en met medewerking van E. Dikken, mede dankzij een stelpost van de gemeente Zwolle voor archeologisch onderzoek, een opgraving doen in de bouwput voor het nieuwe bibliotheekgebouw tussen Diezerstraat en Spoelstraat. Er werden vele middeleeuwse en later vondsten gedaan, onder meer ijzeren sintels (= breeuwkrammetjes) en sporen van havenaanleg (langs een voormalige Vechtloop=Aa). De oudste vondsten stammen uit de Karolingische tijd.”. Vooral de tekst “met medewerking van E. Dikken” doet bij mij nu nog de bloeddruk stijgen. Deze tekst zal door R.v.B. aan Verlinde overhandigd zijn want uit alles spreekt hier uit dat R.v.B. zijn eigen EGO niet beschadigd wilde zien. ALS Verlinde die tekst ooit onder ogen heeft gehad want vazal v.B. was tot alles in staat. Het is namelijk erg vreemd dat o.a. het rare van die tekst is dat er geen melding gemaakt wordt van de gevonden vuurstenen werktuigen die door Verlinde op ± 8000 jaar oud werden gedateerd. Als de tekst wel van Verlinde is geweest dan heeft hij zich voor het karretje van R.v.B. laten spannen want hoe het werkelijk tijdens die opgraving is toegegaan en welke onzin R.v.B. samen met Dirk van de Schrier en later nog eens met Vincent van Vilsteren over die opgraving heeft geschreven is in Bibliotheek bij ‘Opvulling’ te lezen. Ook in de Zwolse Courant van 15 december 1984 was een aantal malen te lezen dat onder leiding van R.v.B. de opgraving had plaats gevonden! In een paginagroot artikel, dat voorgekauwd was door R.v.B. en Dirk v d Schrier, vochten zij een meningsverschil uit met stadsarchivaris F.C. Berkenvelder en was hun aanname te lezen dat er op de plaats van de opgraving een haven zou zijn geweest. Met de tekst: “Hulde aan archeoloog Van Beek, die met grote volharding heeft opgegraven” besluit V d Schrier zijn opmerkingen in dat artikel! Op de hele pagina wordt nergens mijn naam vermeld en daar blijkt wel weer uit dat R.v.B. anderen mooi weer wat wijs gemaakt had! Hij de leiding gehad! Pffff.

Na de bibliotheekopgraving is de samenwerking op een laag pitje komen te staan en was men al bezig om een stadsarcheoloog, voor de drie steden!, aan te stellen. Na een gesprek met Verlinde, waar Gert Oostingh bij aanwezig was, vertelde hij mij dat ik als assistent niet meer in beeld was want er was moeilijk met mij samen te werken. Steeds werd hij en R.v.B. lastig gevallen met mijn vragen en bemoeienissen! Ja, ja, als je voor je zelf opkomt dan ben je een lastig persoon maar die persoon een aantal jaren wat voor te liegen is normaal gedrag!?

Anekdote Lastig vallen?

schoentje

Hiernaast een bijzonder 16e eeuws schoentje dat ik vond op 11 maart 1983 tijdens de opgraving aan de Pletterstraat. De schoen bracht ik naar R.v.B. en die zou er voor zorgen dat deze door de R.O.B. gerestaureerd zou worden. Na veelvuldig vragen van mij hoe het er voorstond met de restauratie kreeg ik steeds als antwoord dat het nog niet gebeurd was! Tot mijn verbazing las ik in het verenigingsblad van V.O.R.G.,“Overijsselse Historische Bijdragen, 98e stuk 1983” met daarin de “Archeologische kroniek over 1982 door Verlinde”, een artikel van Olaf Goubitz. Hij beschrijft het door mij gevonden schoentje zonder mijn naam te noemen. Waarschijnlijk hadden Verlinde en R.v.B. niet verwacht dat ik lid zou zijn van die vereniging en dat ik de publicatie toch niet onder ogen zou krijgen? Ik heb toen R.v.B. en Verlinde om uitleg gevraagd waarom ik aan het lijntje was gehouden als ik steeds vroeg naar het schoentje. Zij gaven aan “dat ik niet zo moest zeuren, ik zou mijn schoentje wel terug krijgen”. Veel later is dat inderdaad gebeurd plus de originele tekening van het R.O.B. en de tekst maar als ik niet aan de bel had getrokken? Mocht ik hun niet lastig vallen met dit soort vragen en moest ik alles maar accepteren? R.v.B. was in 1983 lid van het bestuur van die vereniging en moest ook daar z’n naam ophouden?
Toen ik met mijn vrouw bij het R.O.B. in Amersfoort was heb ik Olaf gesproken en die vertelde mij dat Verlinde dat schoentje gebracht had en de suggestie gewekt had dat hij met een opgraving bezig was. Het schoentje zou daarbij gevonden zijn. Op dat moment had ik voor Olaf nog een 17e eeuws schoentje bij mij die hij zou restaureren. Olaf beloofde dat als hij die beschreef hij melding zou maken van mijn naam als vinder van beide schoenen. Dat heeft hij gedaan zoals u in de verdere verslaggeving over ‘De Librije’, maart 1984, kunt lezen. Een opm.: een vermelding door Verlinde in de Archeologische kroniek van 1982 terwijl het schoentje pas in maart 1983 door mij gevonden was!!

NOOT: Hemmy Clevis (de latere stadsarcheoloog van Zwolle) kwam eind 1982 al in beeld toen Verlinde hem vroeg om de door mij gedane vondsten op de Ossenmarkt te dateren omdat hij mij niet geloofde! (In Overijsselse Historische Bijdragen 1983. Archeologische Kroniek 1982, blz. 125) In dat zelfde jaar dateerde hij ook het aardewerk dat gevonden werd tijdens de opgraving van Kasteel Voorst.

Maar nu even wat extra informatie die ik jaren later te pakken kreeg

brief brief

In mijn bezit een briefwisseling van het P.O.M. “Aan Drs. C.H.A. Martens, voorzitter van de begeleidingscommissie provinciaal archeoloog. p/a Provinciehuis aan de Luttenbergstraat 2 in Zwolle. T.a.v. Drs. F.J.A. van Wijk. Datering 8 maart 1982!!! In de brief, die ondertekend is door de directeur van het P.O.M. J.W.M. de Jong (als subcommissielid), wordt o.a. de aanstelling van een fulltime archeoloog (op academische niveau) voor het Rijksmuseum in Enschede en eentje voor de steden Deventer, Kampen en Zwolle aangevraagd. Zelfs is in die brief te lezen dat er een assistent- archeoloog (op middelbaar niveau) voor het P.O.M. gevraagd wordt. In de brief verschillende voorstellen m.b.t. financiering. In een brief van 6 april 1982 is een opmerking van de directeur van het R.O.B. verwoord. “de R.O.B. is voor de aanstelling van een archeologische assistent bij het P.O.M. maar dat de financiering van deze formatieplaats niet voor rekening van het Ministerie van C.R.M. dient te komen, omdat laatstgenoemde instantie momenteel al bovenmatig in de salariskosten van de provinciaal archeoloog subsidieert”. Verder was de R.O.B. er op tegen dat er een archeoloog in Enschede aangesteld zou worden maar ze waren wel voor een assistent aldaar! Ik onthoud u maar van de teksten die in de volgende briefwisselingen over deze kwestie staan want het is wel duidelijk dat men er al vanaf 1982 mee bezig was om archeologen of assistenten proberen aan te stellen. Dat is een goed streven geweest maar meer openheid van zaken had voor mij meer duidelijkheid verschaft. Dat men mij aan het lijntje hield blijkt wel uit deze briefwisselingen.

Egbert werd vanaf eind 1985 aan de kant geschoven en bleek plotseling niet meer in de gratie te zijn. De reden? NOOT: in de verslaggeving van “Mededelingen uit het wekelijks beraad burgemeester en wethouders van Zwolle” van 22 oktober 1985 is te lezen: “Benoeming stadsarcheoloog —Het college heeft een positieve beginsel- beslissing genomen over de benoeming van een gezamenlijke stadsarcheoloog met Deventer, Kampen en Zutphen, zij het dat de benodigde financiële middelen - voor Zwolle 30.000 gulden -- hier nog bij gevonden moeten worden. Het college denkt dat te doen uit de post nieuw beleid”. Hieruit blijkt duidelijk dat men al tijden bezig was om een archeoloog aan te stellen. Dat het stiekem moest gebeuren had er natuurlijk mee te maken dat ik anders de schop er bij neer zou gooien en wie had dan het graafwerk gedaan? Zoals ik eerder al schreef was het meer het gedogen van mijn persoon totdat er zicht was op de aanstelling van een archeoloog en toen dat officieel was was ik dus overbodig. Na mijn opgraving in de bouwput van het Ziekenhuis de Weezenlanden barstte de bom helemaal en was er van samenwerking geen sprake meer.

Natuurlijk gaat een strijd tussen twee partijen en hebben beiden schuld maar zoals ik behandeld ben heeft niet, en dan druk ik mij netjes uit, de schoonheidsprijs. In de hoofdstukken is een enkele maal nog iets geschreven over de verschillende affaires. Verslaggeving van R.v.B. (en ook van Verlinde) over de door mij gedane opgravingen, zijn terug te vinden in verenigingsbladen van de ‘Vrienden van de Stadskern’, ‘Overijssels Historische Bijdragen’ van de Vereniging tot beoefening van Overijssels Regt en Geschiedenis, ‘Contactberichten’ van de provincie Overijssel, in het ‘tweemaandelijkse orgaan’ van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (A.W.N). en in de ‘verslagen’ van de ’Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (R.O.B.) uit de 80-90er jaren. Samen met Verlinde schreef R.v.B. verschillende artikelen over wat er allemaal gevonden was en werd in de beginperiode bij mijn naam, ‘onder deskundige leiding van’, vermeld. Vreemd was dat er steeds in de verslaggeving vermeld werd dat ik met een A.W.N. opgraving bezig zou zijn terwijl ik daar in het begin niet eens lid van was!! Ook schreef R.v.B. dat ik in een archeologische werkgroep zou zitten van de ‘Vrienden van de Stadskern Zwolle’! Ik heb daar menigmaal mijn mening over laten horen en brieven naar die verenigingen geschreven dat ik nergens van wist maar blijkbaar stond het in het opgravingverslag beter dan dat er vermeld zou worden dat op initiatief van Egbert Dikken er gegraven en weer iets gevonden was. Die werkgroep was in 1973 in het leven geroepen tijdens de opgraving bij het stadhuis en heeft daarna een sluimerend bestaan gehad. Aangezien ik pas rond 1981/82 met de werkzaamheden in Zwolle begon was ik totaal niet op de hoogte van die werkgroep laat staan dat ik er lid van was. R.v.B. heeft steeds de suggestie gewekt met zijn verslagen in dat blad dat HIJ degene was, ondanks dat mijn naam wel eens genoemd werd als medewerker, die de opgravingen deed! Ja, zo maak je wel indruk op “vrienden”! Trouwens: die verenigingen hebben nooit op mijn brieven gereageerd!
Maar het recht dat R.v.B. en Verlinde zich aanmatigden om over een opgraving te mogen/moeten schrijven!? Op eenmaal na is mij nooit gevraagd om mee te schrijven. Over die ene maal kunt u in Kasteel Voorst 2 lezen hoe dat tot stand is gekomen.

Hier alvast een voorproefje van die opgraving. Op de achtergrond Wim Rijnbergen die mij regelmatig hielp. Nu kunt u ook zien waarom wij zo’n mooie huid gekregen hebben. Niets anders dan modder en water. Nee, dan zag je R.v.B. niet!

Dat ik niet mee mocht schrijven zal als oorzaak gehad hebben dat ik er niet voor gestudeerd had! Autodidact is waarschijnlijk alleen voor anderen weggelegd! R.v.B. werd geaccepteerd door de R.O.B. maar ik weet ook dat personen bij de R.O.B., die al jaren publicaties geschreven hadden, plotsklaps niet meer mochten schrijven omdat zij geen titel voor hun naam hadden! Het zou dan niet wetenschappelijk genoeg zijn! Wat dat dan waard is? De laatste jaren zijn wij veelvuldig geconfronteerd met “wetenschappers” die plagiaat pleegden, cijfers manipuleerden, onderzoeken op papier zetten zodat hun eigen aanname(s) als waarheid door het leven zouden gaan. Gelukkig zijn er ook oplettende die dit soort misstanden aan de kaak hebben gesteld waardoor die “wetenschappers”, een aantal althans, van hun voetstuk zijn afgevallen. Het is mij nu wel duidelijk. Alleen als je naam met een titel begint en ergens onder staat is dat een vrijbrief voor je status en je carrière. Of dat in de toekomst nog steeds zo gaat? Gelukkig vraagt mijn technische man niet of ik een titel heb en plaatst hij alles gewoon op de site!
Bij deze wil ik nog vermelden dat waar ik het vaak over IK heb tijdens een opgraving ik veel hulp heb gehad van een aantal vrienden en ook van personen die lid waren van de A.W.N.. De personen die door R.v.B. uitgenodigd waren om eens in de bouwputten te komen kijken had je weinig aan want net als R.v.B. waren ze bang om smerige handen te krijgen of voelden zich te goed om een schop te hanteren. Maar dat ze tijdens de opgraving wel eens kwamen kijken was goed voor de image van R.v.B..

Om deze inleiding af te sluiten de tekst die ik vond in de Stentor van 18 september 2010. In een column van de bekende psycholoog René Diekstra behandelde hij het fenomeen ‘schelden’. Hij schreef: “dat schelden op de eerste plaats altijd een uitdrukking van frustratie was. Eigen wens, verlangen of recht, althans iets dat als eigen recht wordt beschouwd wordt door een ander geblokkeerd en de spanning die dat oproept zoekt een ventiel’. Zoiets wordt in de psychiatrie ‘Projectie’ genoemd”.
Ik zou graag zien dat u deze tekst in gedachten wilt houden bij het lezen van de uitspraken die R.v.B. heeft gedaan en die ik in Z.A.D. en Z.A.D. 2 vermeld heb. Mijn frustratie bestaat uit: “dat ik nergens gehoor kon vinden voor mijn klachten”. Maar na het publiceren van al mijn archeologische gegevens op deze site weet ik dat er altijd wel iemand zal zijn die het leest en misschien de gedachte krijgt ”wat zijn er rare zaken gebeurd en wie heeft wie de hand boven het hoofd gehouden”. Kijk maar wat u met al deze gegevens doet.