Inhoudsopgave


WATERNOOD EN WATERSNOOD (WW1) — Het ontstaan van een gebied II

Shellstation ‘De Hanekamp’

Hier werden gaten gegraven om benzine- tanks te plaatsen. Waargenomen werd dat er na de opgebrachte grond (65 cm) een laag zand (60 cm) aanwezig was. Daaronder kwamen verschillende kleilaagjes voor van ± 1cm dikte die zich tussen het stuifzand bevonden. Op 1.6 m beneden het maaiveld kwam een lichte podsollaag voor waar, op sommige plaatsen, een 10 cm dikke kleilaag tegenaan lag. Op 3.8 m beneden het maaiveld kwam opnieuw een 10 cm dikke kleilaag te voorschijn.

 

Zakken wij net als de Batavieren de van het oosten komende rivierstroom af dan vinden we (zie artikel Eikenlaan) pakketten veen met daarop zand. (De vraag is of de Boerendanserdijk vroeger een oeverwal is geweest). Komen we bij de kruising met de Ceintuurbaan dan wijzen de sondeerrapporten erop, dat aan beide zijden, Oosterenkgebouw-Bodecentrum, het niveau van verstoring dieper ligt dan dat van een jongere waterloop, die hier kruist. Het gebied rond deze kruising zit vol met gaten waarbij deze zelfs kunnen oplopen tot 12 m (Savo). Steken we de kruising over en kijken we naar links dan passeren we bij de Vondelkade, ter hoogte waar Van Deventer de galgen heeft getekend, nieuwbouw. Onder die nieuwbouw zitten sterke verstoringen. Op de plaats van de Bankastraat vinden we verstoringen van 5 m diepte en meer. Van Deventer tekende hier, zo lijkt het, een insteekhaven? Is deze van oudsher hier gesitueerd? De wijk opzij van de Nieuwe Vecht heeft een verstoorde ondergrond.Aangekomen bij de nieuwbouw van de Vechtbrug bleek dat daar op ruim 10 m diepte gaten zaten met klei en veen. Dhr. Reitsma vertelde ons dat daar een grote kwel zat, die bij de brugbouw veel problemen opleverde (14). Tijdens het slopen van de oude Vechtbrug in 1989 kwam er een oude kademuur te voorschijn. Deze, op houten palen gefundeerde muur, lag evenwijdig aan de Vechtstraat. De lengte, voor zover waar te nemen, bedroeg ± 5 m. De Nieuwe Vecht blijkt daar dus breder te zijn geweest dan tot dusver aangenomen. Waarschijnlijk is het gedeelte dat voor het Binnen Gasthuis ligt pas in een latere periode gedempt.
Achterom kijkend in de richting Brederostraat kunnen we nog opmerken dat onder het gebouw van de A-markt op het Herfterplein op een diepte van 0-0.3 m -N.A.P. (1.5-1,8 m onder vast punt) een kleilaag ligt. Bij een recente verbouwing kon dit samen met dhr. Van Noort (Openbare Werken) worden waargenomen. Onder de kleilaag ligt ± 4 m zand. Daarna wijzen de rapporten opnieuw verstoringen aan, die kunnen wijzen op veenlagen. In het artikel van Van de Berg over de Hoge Spoorbrug (15) geeft deze hier een dekzandrug aan! Men ziet hoe gemakkelijk fouten insluipen bij gebruik van de geologische kaart.
Aangekomen bij het Stilobad wist men nog te vertellen dat de kleipakketten, die tevoorschijn kwamen tijdens de bouw, gestort waren in de kolk waar nu ongeveer het politiebureau (in 2007 afgebroken) staat. Links zien we de Menistenfiat. Hier ligt tot 1.76 m -N.A.P. klei en zand met enkele veensporen. Een oorspronkelijke bedding zou meer in het midden van de Turfmarkt gelegen kunnen hebben, als we aannemen dat bij het Binnen Gasthuis het water breder is geweest en onder het Stilobad klei gevonden werd. (Opm. 2010: Bij de verbouwing van de Oosterkerk, aan de achterzijde bij het Koewegje, kwamen dikke kleipakketten tevoorschijn!)

Op oude kaarten kan men zien dat er water stroomde achter de huizen aan het Groot Wezenland, tegenover het Kerkbrugje, richting politiebureau, wat in een dal ligt. De vraag is of dit een oude of een jong gegraven waterloop is. In het artikel Plattegrond van Zwolle is al vermeld dat er vanouds een verbinding heeft gelopen op de plaats waar later de Nieuwe Vecht werd gekanaliseerd. Volgens ons is het mogelijk dat deze verbinding, geheel of gedeeltelijk, als diep gedeelte van een groot overloopveld al vóór de droge periode van de 10e eeuw aanwezig was. Voordat Zwolle zich met versterkingen mocht omgeven zal er water door de stad gestroomd moeten hebben omdat er zich anders geen mensen gingen vestigen. Waar dat water gelopen zal hebben kunnen we tot op zekere hoogte benaderen. In de uitleg over de stad gaan we daar op in.

Een stadsgezicht gemaakt door A. de Haen in 1674

De tekenaar heeft gestaan waar nu het parkeerdek Emmawijk is. Rechtsonderaan is het water te zien dat nu nog in Park Eekhout aanwezig is. Vóór 1363 moet door de Luere, een ‘gracht’ vanaf de Luttekepoort de stad met de IJssel hebben verbonden. De prent is aanwezig in het Rijksarchief te Zwolle (het huidige H.C.O.).

 

Laten we aannemen dat het water o.a. vanuit de Nieuwe Vecht richting bewoning liep. Bewoning van voor de 10e eeuw is gevonden in onze stad bij de bibliotheek in de Spoelstraat en in de Sassenstraat. Bij het ziekenhuis ‘De Weezenlanden’ werden vuurstenenwerktuigjes maar ook Badorf aandoende randen (8e-9e eeuw) gevonden. Dus hier is ook vroege bewoning geweest. Het water zou gestroomd kunnen hebben op de plaats waar rond 1300 vermoedelijk een stuk gracht is gegraven door Middelwijk (16) heen. Ook een loop over het Gasthuisplein-Luttekestraat komt in aanmerking. Dat er op de plaats van de Thorbeckegracht een oude bedding water afgevoerd heeft richting het dal ‘Zwartewater’ is ook een mogelijkheid. Wel weten we dat het moeilijk zal zijn om de juiste waterlopen uit die tijd te traceren. Eén ding staat vast: als het water er door stroomde moet het ergens weer uit stromen. Naar aanleiding van de vondsten bij de Brandweerkazerne, o.a. een watertje, hebben wij in die omgeving wat onderzoek gedaan. Zoals al aangegeven, is de Luttekestraat genoemd als een mogelijk oude waterloop. Meerdere auteurs hebben daar vermoedens over maar weten niet goed hoe de verbinding dan gelegen moet hebben.
In de 14e eeuw lag buiten de Luttekepoort de Luere (Lure).’ Lure of Luyre is datgene wat de nattigheid opvangt’ (17). We vinden die naam nog terug op vrij jonge kaarten waarmee het Veeralleekwartier wordt aangeduid. Of de functie van het gebied al voor de 10e eeuw werkte, weten we niet. Wel valt op, als we rapporten van dit gebied bekijken, dat er veel diepe verstoringen in de onder grond aanwezig zijn. Het oost-west liggende water bij park Eekhout is algemeen bekend. Naast de Raiffeisenbank (Emmawijk) wezen de sonderingen klei- en veenlagen aan. De Parkschool, waar in 1989 nog verzakkingen optraden, is gebouwd op klei- en veenlagen! die op ± 2 m -N.A.P. liggen. Onder het stationspostkantoor liggen op 2.5 à 3.5 m -N.A.P. klei- en veenlagen. Dat geldt zowel voor de Veeralleeflat, de nieuwe flat op de hoek Veerallee - Strick van Linschotenlaan als het Amro assurantiecentrum daarachter. Dhr. B. Gosseling van de W.M.O. wist te vertellen dat zelfs op een diepte van 16 m nog veen aanwezig was.

De opmerking die men zal maken is: dat het wel restanten zullen zijn van de Willemsvaart. We willen daar niet te diep op ingaan omdat net als bij vele andere klakkeloos overgeschreven ‘waarheden’ ook hier de fout is gemaakt de Willemsvaart te willen zien als een water dat pas in het begin van de 19e eeuw is gegraven om Zwolle met de IJssel te verbinden. Wij willen hier duidelijk stellen dat gezien de diepte van de verstoringen, er al heel vroeg een vrij groot water gestroomd moet hebben vanaf Eekhout-Emmawijk richting huidige IJssel. Een deel van die geul zal (opnieuw) gebruikt zijn voor de waterverbinding die op een plattegrond van Zwolle omstreeks 1600 al te zien is (18).
Of de Willemsvaart ernaast is gegraven of gekanaliseerd of dat het laatste stuk een oude bedding heeft gevolgd zal moeilijk te bewijzen zijn. Gezien de problematiek rond de datering van dekzanden-rivierduinen vragen wij ons af of de zandkoppen van het Engelse Werk en de Spoolderberg na de 10e eeuw zijn ontstaan. Deze kunnen de vroegste waterloop geblokkeerd hebben en daardoor het water, ook door de veranderde waterstroomrichting naar zuid-noord, via de Rietslagen een nieuwe richting hebben gegeven.

Nu we bij de Veerallee aangespoeld zijn komen we in een gebied waar dikke klei- en veenlagen voorkomen en waarop we in de 2e periode terugkomen (Opm. 2010: In WW2 wordt hier aandacht aan besteed). Wij willen hier nog eens benadrukken dat wij het vreemd vonden dat er in de ondergrond van Zwolle en zijn omgeving klei en veenlagen aanwezig zijn waar andere auteurs ze niet verwachtten maar ook niet (wilden?) zien! Wij proberen gewoon een aantal puzzelstukjes op de plaats te leggen.
Omdat bij de vondst van de IJzertijdbewoning in Langenholte een waterloop werd gevonden en deze overeenkwam met wat op de geologische kaart als beekdal werd weergegeven, bestaat bij ons het vermoeden dat deze van oudsher vanaf die plaats richting Holtenbroek-Spoolde moet hebben gelopen. Halverwege is bij de Middelweg (het ‘Sloth’) eveneens IJzertijdmateriaal gevonden. Sonderingen onder Holtenbroek wijzen op verstoringen rond het gebied Gombertstraat tot aan het Zwartewater en tussen de Zwartewaterallee en Klooienberg; in de Aa-landen rond de Fluessen. (Opm. 2010: Op het moment dat het ijs op de sloten ligt is goed te constateren of er in de ondergrond veen moet zitten. De bruine kleur van het water alsmede de luchtbellen die het ijs daar bros maken wijzen daar op. In de sloten rondom de nieuwbouw van de Aa-landen moet u maar eens gaan kijken.)

Wij willen nog even terugkeren naar Poepershoek, maar eerst benadrukken we nog dat de zeer brede oost-west bedding, die gevonden werd bij het nieuwe gebouw van de Ambelt (zie foto en Ceintuurbaan), opnieuw aantoont dat de geologische kaart niet altijd klopt. Deze geeft op die plaats een doorlopende dekzandrug aan. De waterloop is nu nog te zien achter het Gooseveldshuis en komt uit de richting van Berkum Veldhoek-Poepershoek.
Toen wij die oost-west lijn uitzetten op de kaart, bleek globaal het midden van die lijn aan te sluiten op het dal bij Zalné (zie artikel Ceintuurbaan). Op sondeerrapporten werden veenverstoringen onder het IJ.C.-complex en de Marslanden aangetroffen en bij de IJsselallee klei- en veenverstoringen. Zien we deze lijn op een kaart dan valt ons op dat de huidige IJsselloop uitbuigt richting Hattem. Dit kan ontstaan zijn al voor de 10e eeuw toen de watervloed er in uitmondde. Latere meanders van de IJssel zullen er eveneens een rol in gespeeld hebben.
Toen wij bij de Ambelt de rechter buitenlijn van de ontdekte oost-west bedding volgden, viel ons het volgende op: de lijn liep globaal over het kolkje bij Urbana, de oude oost-west liggende inham van de Soestwetering en de oost-west liggende Assendorperdijk bij de dieren-weide (waar Van Deventer een waterloop langs tekende haaks op de Soestwetering). Van daaruit kon de lijn vervolgd worden over de Weidjesstraat — Verenigingsstraat — Hoge Spoorbrug tot op de Lure.
Wat wij ook willen opmerken is dat een groot gedeelte van het Zwartewater waarschijnlijk van oudsher een oost-west verbinding is geweest waardoor het water vrijelijk over en door de marke(?) Mastenbroek (19) kon stromen.

 

De foto is genomen aan de achterzijde van de nieuwbouw van de Ambelt. Te zien is dat (links) een zandlaag (stuifzand) aanwezig is bovenop een verveende waterloop die vanaf Poepershoek richting restaurant Urbana stroomde. Op de geologische kaart is hier een dekzandrug aangegeven!

Iets over de 10e eeuw

‘Een opmerkelijke periode in onze geschiedenis, een overgangsfase tussen de vroege en hoge Middeleeuwen. Het beeld van de 10e eeuw wordt wat het West-Europese continent betreft vaak een beetje negatief gekleurd: een periode van economische en demografische stagnatie na de desintegratie van het Karolingische rijk, het ineenstorten van de langeafstandshandel en de chaos die de Noormannen in West-Europa veroorzaakt zouden hebben. Aan deze beeldvorming is mogelijk de schaarste aan schriftelijke verslagen over sommige gebieden debet. Dat de 10e eeuw archeologisch nog een blinde vlek vormt is jammer, omdat de oorsprong van enkele ontwikkelingen, die het gezicht van Nederland mede hebben bepaald juist in deze periode moet worden gezocht.
Om er maar een paar te noemen: in de 10e eeuw is men voor het eerst op grote schaal het enorme veengebied in het westen en midden van het land gaan ontginnen. Een begin van een ontwikkeling die in de 13e eeuw werd voltooid. (Is over de rest van Nederland niets bekend?). Minder spectaculair, maar daarom niet onbelangrijk, zijn enkele vernieuwingen in de landbouw op de hoge zandgronden, zoals het toepassen van plaggenbemesting in combinatie met intensieve roggeteelt. Op de zandgronden gebeurde in deze tijd nog iets anders: het begon er flink te stuiven. De zandverstuivingen werden een blijvende plaag en hebben op de duur tot een enorm verlies van cultuurland geleid. Veel meer landinwaarts gelegen plaatsen zijn zelfs in de 12e en 13e eeuw ondergestoven. De milieuramp van Kootwijk stond derhalve niet op zichzelf. Het resultaat van deze ontwikkelingen was dat het demografisch en economisch accent voorgoed naar het natte deel van Nederland werd verlegd. Van de hier genoemde veranderingen was de mens de initiatiefnemer of, wat de zandverstuivingen betreft, de hoofdschuldige. Zij zijn echter mede in de hand gewerkt door omstandigheden waaraan hij part nog deel had. In de 10e eeuw was het klimaat in deze streken namelijk behoorlijk van slag, het was droger dan ooit. Uit gegevens blijkt dat al in het begin van de 9e eeuw een lichte waterdaling plaats vond, maar dat de dramatische uitdroging pas in de eerste helft van de 10e eeuw, toen tropische temperaturen het land teisterden, plaats vond. Bewoningssporen worden bedekt door een laag zand.’ Tot zover Heidinga. Een voorbeeld hiervan beschrijft Dorregeest in Westerheem 5-1981, blz. 177 dat in Uitgeest gevonden Karolingische bewoningssporen bedekt waren met 25 cm stuifzand. Ook had dit plaatsgevonden in de buurschap Spoolde. Daar werd tijdens een opgraving waargenomen dat een kreek 2 à 3x dichtgestoven was.(Dat stuifzand bewoningssporen bedekt heeft kan een verklaring zijn voor de weinige vondsten die uit die tijd gedaan worden.)

    Noten

  1. Misschien waren er meer oost-west verbindingen in dit gebied. Dat het in 1533 als wetering genoemde water (zie artikel Plattegrond van Zwolle) open is gebleven, kan misschien zijn oorzaak hebben in de aanwezigheid van de waterkwel, die er voor zorgde dat stuifzand geen kans kreeg om de waterloop te stremmen.
  2. De Hoge Brug over het stationsemplacement te Zwolle, wegwijzer naar een nabij en ver verleden.
  3. De vroegere marke Middelwijk zal waarschijnlijk gelegen hebben in het gebied De Wezenlanden — Van Nahuysplein — Nieuwe Markt. Van der Engelen van der Veen schrijft op blz. 79 van ‘Marken In Overijssel 1924’: ‘Om de parochiekerk, die In 1040 aan het Deventerkapittel werd geschonken is eene nederzetting van ongewaarden ontstaan, Middelwijk genaamd.’(!)
  4. Th. de Vries in Zwollae Monstratio blz. 5-6. V.d. Berg geeft als verklaring voor Lure: relatief hooggelegen terrein. Hij verwijst verder o.a. naar Lierderbroek waarin het woord Lure een bestanddeel zou zijn. Wij vinden dit een vreemd voorbeeld. Broek betekent namelijk: moeras, poel: laag land, weiland, het helsche moeras. (Verdam) Moeten wij Lierderbroek dan als een hooggelegen laag moerasweiland zien?
    Luere of Lure is niet te vinden In Verdam! Wel Lore; Leure, Luere, Loor; misleiden, bedriegen, verloren gaan. In de lure leggen? Omdat het woordje Duits aandoet werd de vertaling opgezocht: Lure: sloot. Een vriendelijke Twentenaar vertelde ons nog dat dáár voor een grote sloot het woord Leer-Lere wordt gebruikt. Wij zien de Luere-Lure dan ook als een gebied dat hoogtes, maar zeker laagtes kende en waar water, klei en veen voor bedrieglijke stukken land (moeras) moeten hebben gezorgd. Waarschijnlijk is het gebied vroeger (door wateroverlast) aangetast-verloren gegaan en is de naam blijven bestaan. Dit alles is niet in strijd met de functie van het gebied zoals Th. de Vries al aangaf.
  5. O.a. de kaart uit de atlas van Braun en Hogenberg naar gegevens van Guicciardini, 1581. Dat de waterloop niet te zien is op de kaart van Van Deventer, kan te maken hebben met natuurkrachten, die later in dit artikel aan de orde komen, of Van Deventer heeft het niet nodig gevonden om het te tekenen.
    In 1363 was door de bisschop vastgelegd dat: ‘voirt sal die stat van Swolle beholden die grave, die sy van oire stat door die Luere in die Isel gegraven hebben etc.’. Th. de Vries. Geschiedenis van Zwolle deel 1, blz. 143. (Opm. 2010: Tot waar lag de Luere? Tot aan de omgeving waar nu de Burg. Van Rooyensingel is?)
    In 1480 is er sprake van een kanaal door ‘Schelrewade omme dair doer den dijcke een spoye off sluze te maken’. Van de Berg (Z.H.J. 1988, blz. 133) vermoedt dat hier sprake is van een overslagplaats. In dit verband weet Th. de Vries in deel II Gesch. Zwolle blz. 186 op te merken dat ‘beneden Nij Romen voor 1829 de weg des winters grondeloos was’. Nij Romen is de plek waar de Steenwetering overgaat in de Zandwetering ter plaatse van de hoek Veerallee-Strick van Linschotenlaan.
    Dhr. Gosseling wist te vertellen dat bij de aanleg van het Spoolderbos een weg gevonden was bestaande uit kloostermoppen op -0.2 m N.A.P..
  6. Verdam, Mast: Voedering; voedsel; varkensvoer, eikels; het recht van voederinq in eene mark. Heeft dit te maken met oude rechten die verschillende buurschappen (marken) hadden toen in de 14e eeuw de marke Mastenbroek werd verdeeld en de polder Mastenbroek ontstond? (zie ook artikel Waar waren ware - Windesheim).