Inhoudsopgave


ZWOLSE GEWICHTIGHEDEN II

Andere steden

Vaker worden gewichten van het Overijssels type binnen de kring van gewichten-verzamelaars als Zwols aangeduid. Dat dit onjuist is blijkt wel door de diverse andere gewichten van dit type die nu bij ons bekend zijn. Onder andere een gewicht van 123 g, (pond 492 g) gemerkt met het Deventer wapen en geijkt met het jaartal 1799. Deze bevindt zich in het P.O.M. In het Rijksmuseum Twenthe te Enschede is een geijkt Deventer gewicht aangetroffen en wel van 246,7 g (pond 493,4 g) en geijkt 1740. Bij een particulier troffen wij een gewicht aan van 494,6 g, geijkt 1817 en gemerkt met twee maal het wapen van Deventer. De massa van het Deventer pond diende 493,7 g te zijn (5). Een gering verschil (tolerantie) in die tijd was toegestaan maar hoeveel dat was? Door ons onderzoek zijn nu ook een 1, ½ en ¼ Deventer pond bekend van het Overijssels type.
Bijzonder is een gewicht van het Overijssels type dat bij een particulier werd aangetroffen. Het is gemerkt met het wapen van Almelo, geijkt 04, 08 en 1709, en is 121,5 g zwaar. Een pond zal dan ± 486 g zwaar geweest moeten zijn. Er is ons tot nu toe niets bekend over gewichtsmassa’s die in Almelo in gebruik waren. Wel is bekend dat het Twentse pond een massa moet hebben gehad van 493,5 g (5). Hier geldt, net als voor het Deventer gewicht, welk pond, en waar haalt Ter Peikwijk die informatie vandaan! Waarschijnlijk is Twente rond de 18e eeuw op Deventer georiënteerd geweest.

Deventer Lichtgewicht?

Tijdens het onderzoek vonden wij twee ijzeren gewichten in een particuliere verzameling, die met lood waren verzwaard. Beide zijn gemerkt met de Deventer adelaar en gedateerd 1815. Het ene gewicht weegt 997 g en geeft de massa aan door middel van twee strepen (2 pond). Eén pond = 498,5 g. Het andere gewicht, wat door roestvorming licht is beschadigd, weegt 1981 g (pond 495,25) en geeft de massa aan met vier strepen en moet dus een vier ponder zijn. De uitgerekende ponden van beide gewichten zijn zwaarder dan de 493,7 g die voor het Deventer pond staat. Deze kerngewichten zijn waarschijnlijk Deventer Lichtgewicht ponden. Waaggewicht lijkt ons niet aannemelijk omdat dan tussen het Overijssels type van ± 494 g en het bovenvermelde pond, 498,5 g, het Lichtgewicht nog zou moeten zitten. Het Waaggewicht zal vermoedelijk, net als in meerdere steden boven de 500 g geweest zijn.

Andere vondsten die in Zwolle gedaan werden

Het zeldzame zilveren voorwerp waarop vijf maal het dubbel kruis (Lotharings) is ingeslagen en waarop enkele Gotische letters te zien zijn, is (gezien de bijvondsten) te dateren in de tweede helft 14e eeuw. Wat de functie van dit voorwerp is geweest zal moeilijk te achterhalen zijn. Wel weten we dat dit soort schijven, van lood of tin, als gewicht voorkwamen (16). Het dubbel kruis dat o.a. in Vlaanderen en Frankrijk in stadswapens voorkomt werd ook als pelgrimsteken gebruikt.

 

◄ Gewicht of Pelgrlmsinsigne? Zilver 3 mm dik, 5 dubbele kruizen, 127,2 g. Rechtsboven een rechthoekig doorgeslagen ophangpunt? Linksonder heeft men eerst dat ophangpunt proberen er in te slaan? Datering: 1350-1400 (zie ook dubbel kruis).


► Het loden gewicht van de stad Brugge werd gevonden bij de nieuwbouw van het ziekenhuis ‘De Weezenlanden’. Gewicht: Lood, Brugge. Medicinaal? 2 mm dik 9,6 g, 16e eeuw.

 

Regelmatig werden loden ‘gewichtjes’ uit verschillende eeuwen gevonden zonder merktekens. Deze werden vermoedelijk in de huishouding gebruikt. Ook het bij de bibliotheek gevonden fragment van een 16e eeuwse weegstok (unster) is belangrijk. Jammer dat het nog steeds is weggestopt in een grote doos die in het archeologisch depot staat.
Het tot nu toe oudst bekende gave Zwolse exemplaar, wat enkele jaren geleden op een Blauwvingerdag gekocht kon worden omdat het P.O.M. geen interesse had, is geijkt met het Zwolse wapen en gedateerd 1709. De schaalverdeling, dat wil zeggen de koperen pennetjes in de stok, is identiek met het 16e eeuwse exemplaar. Dit wijst er op dat de weegaanduiding in Zwolle al vóór 1600 gangbaar was.


De op de Blauwvingerdag gekochte stokunster. Aan de achterzijde, in het koper, gemerkt met het Zwolse wapenschild waar in de kwartieren ZVOL ingeslagen is. IJkjaartal 1709


Er werden ook gewichten gebruikt om munten te controleren. Boze lieden knipten of vijlden van de gouden en zilveren munten nog wel eens wat af. Deze muntgewichten zaten in een houten doosje dat o.a. ook een balansje met twee schaaltjes bevatte. Het balansje en schaaltje, die getekend zijn, werden gevonden tussen materiaal uit de tweede helft van de 16e eeuw. Het ingeslagen wapenschildje is te vaag voor herkenning; in het schaaltje zat geen merkje. Waarschijnlijk is het balansje gebruikt door een goudsmid of geldwisselaar.


IJzeren balans met koperen schaaltje, 16e eeuw. 20cm lang.

 

Achterzijde

Muntgewichten

Voorzijde

Amsterdam, Leonard van de Gheere III of IV, ± 1600

Antwerpen, maker? 1600 of later

Amsterdam, molenijzer, Isaak te Welberg, ± 1615

Antwerpen, maker? 1550-1575

Antwerpen, Cornelis Jansen, 1596

Antwerpen, maker? 1550 of vroeger

Antwerpen, Andries Caers, 1611

Amsterdam, Jan Kaen, 1638

Antwerpen, Snedegetal 36 INT, marc van 244,7 g (Parijs), ± 1525

Pistolet, Spaans, 6,1 g

3 hand = 3/16 Antwerps ons, 4,3 g

Engelse 1/4 Sovereign, Hendrik VIII, 3g

Snedegetal 77, (G)HELderse rijder, Nederlands, 2,9 g

½ Sint Philippus gulden, Nederlands, 1,4 g

1/2 Rozenobel, Engels, 3,3 g

Henricus Nobel, Engels, 6,3 g

Portugese Kroon, 7,5 g

Henricus Nobel, Engels, 6 g

Enkele koperen muntgewichten die door W. Rijnberg en J. Bredewold met de detector in Zwolle zijn gevonden (17).

Inhoudsmaten

Doordat Zwolle in het verleden net als Keulen een belangrijke stapel-overlaadplaats was, nam de omgeving zijn inhoudsmaten over. Hoe groot dit gebied was is nog niet helemaal bekend. Wel kan men in een oorkonde van Uffelte (Drente) van 8 augustus 1304 lezen dat Rudolfus, abt van het klooster Runne te Ruinen en Utetus, proost van het klooster Bordengo in het Haskerconvent(Friesland), een pacht bepaalde op acht vaten boter, Zwolse maat (18). Regelmatig lezen wij ook in actes uit de periode 1400 - 1600 dat in een ruim gebied aan beide oevers van de Vecht, zelfs tot in Twenthe (Almelo e.o.) en het Graafschap Bentheim in Duitsland toe, wordt gemeten met ‘Swolser’ maete. In Emlichheim, Neuenhaus en Nordhorn werden in de Middeleeuwen de stadsmaten afgeleid van o.a. de ‘Swolser maet’; deze zijn daar tot in de 18e eeuw in gebruik gebleven (19). Ook op het gebied van inhoudsmaten, of het nu natte of droge waren betrof, was er in het verleden geen uniformiteit. Het overgrote deel van de goederen werd vroeger via inhouds-volumematen verhandeld. Een klein gedeelte werd maar gewogen. Enkele oude benamingen die voor de invoering van het metrieke stelsel werden gebezigd, o.a. kan, kop en schepel zijn na 1820 gebruikt om de omschakeling te vereenvoudigen! Daardoor kunnen misverstanden snel ontstaan. Berkenvelder schrijft bijvoorbeeld in het reeds genoemde boekje op blz. 98: ‘Het koren werd per schepel, dat is 1/10 hectoliter, verkocht’. Uit de context waarin hij dat schrijft is op te maken dat het voor de 18e eeuw zo moet zijn geweest. Wij willen duidelijk stellen dat in die tijd een schepel geen 1/10 hectoliter was. Het begrip hectoliter werd pas bij de invoering van het metrieke stelsel vastgelegd (dus na 1820).


Het op de Ossenmarkt gevonden geelkoperen pannetje. Hoogte 7 cm.

 

Een schepel (en ook andere maten) verschilde net als lengtematen en gewichten van plaats tot plaats en van tijd tot tijd. Zelfs waren er verschillende schepelgroottes in één plaats in gebruik voor o.a. steenkool en graan. Naar huidige begrippen (ltr.) gemeten, waren deze in Zwolle in de 18e eeuw respectievelijk 48,94 ltr. en 29,54 ltr (20). Ook aardig om te vermelden is, dat de benaming schepel als oppervlaktemaat voorkwam. Bijvoorbeeld: 3 schepels land is zo groot als men uit 3 schepels kon zaaien. Bij opgravingen worden soms koperen pannetjes gevonden (21) die ook wel als melkmaatjes worden aangeduid. De Zwolse melkkan had in de 17e eeuw een inhoud van 2,23 ltr. Deze inhoud gold ook voor teer. Andere vloeistoffen zoals wijn en azijn hadden per kan een inhoud van 1,69 ltr. Eind 17e eeuw werden er nieuwe volumes vastgesteld. Door belastingmaatregelen werden de inhoudsmaten voor bier, wijn en gedistilleerd verkleind tot 1,53 ltr. (22). Het in Zwolle gevonden “pannetje” uit het begin van de 17e eeuw, heeft als inhoud ± 1,1 ltr. Waarschijnlijk is het pannetje dan ook een halve Zwolse melkkan.

Zeer interessant is ook het medicijnflesje met ingekraste maataanduiding dat samen werd gevonden met een fragment van een maatglas (Zie: oude flessen). De datering ligt rond 1750. De inhoud van het medicijnflesje komt haast overeen met de aanduiding op het maatglas van drie drachme, een maat- of gewichtsaanduiding in de apothekerswereld. Tijdens het onderzoek werd ook nog een houten graanmaat bekeken. De maat was gemerkt met het Zwolse wapenschild (zonder letters) en geijkt 1800. Gezien de inhoud van de gevonden schepel 29,54 ltr. kunnen we aannemen dat het om een Zwolse graanschepel gaat.
Een tinnen maat met een inhoud van 0,85 ltr. werd bij een particulier aangetroffen. In het handvat was het Zwolse wapenschild geslagen met daaronder het getal 22. Deze maat zal een Zwolse mengel geweest zijn uit 1622, gezien de inhoud en vorm.



De houten schepel waar in de bodem een wapenschild en het jaartal 1800 is ingebrand. Deze maat zou gebruikt zijn door Ter Pelkwijk voor zijn opmeting van de Overijsselse schepels (5). De maat moet afkomstig zijn van de gemeente Zwolle. De inhoud is 29,54 ltr. volgens de tabel van Ter Pelkwijk.

 

Nawoord

U heeft gelezen dat een pond uit de 14e eeuw totaal verschilt van een pond uit de 16e of 19e eeuw. Vele verschillende, naast elkaar gebruikte ponden maakten het niet overzichtelijker. Ook op het gebied van de inhoudsmaten waren grote verschillen. Wij hebben geprobeerd om het niet al te moeilijk te schrijven maar zijn ons ervan bewust dat het verscheidene mensen nu duizelt. Zolang er in publicaties niet staat met welk gewichtspond er is gewerkt of welk pond in de beschreven tijd gangbaar was, moet de betreffende publicatie met terughoudendheid gelezen worden. Deze problematiek geldt tevens voor de inhouds- en lengtematen. Wij bemerkten tijdens het onderzoek dat verschillende personen onwetend waren van de verscheidenheid die er in het verleden was bij het meten en wegen. Wij hopen dan ook dat wij een klein ‘wigtje’ hebben bijgedragen tot een betere kijk op deze materie. Te zijner tijd zal er een publicatie verschijnen van het onderzoek in Overijssel over de maten en gewichten.



    Noten

  1. Zie 1a, blz, 43.
  2. Zie 10, blz. 26.
  3. Zie 1a, blz. 21.
  4. Dank aan J. Bot, conservator oudheidkamer ijkwezen, Delft.
  5. Zie 1a, blz. 15 9e alinea.
  6. Dank aan G.G.M. Houben voor determinatie en getallen bij de muntgewichten.
  7. Overijssels Oorkondebouw. Ter Kuile deel III blz. 33 nr. 521.
  8. Jahrbuch 1978. Das Bentheimer Land Band 92 blz. 47-60.
  9. Zie 5, blz. 37 en 44.
  10. O.a. opgravingen in Amsterdam blz. 289-290. Zie in dit boek (ZAD): metaal nr. 27.
  11. Zie 5, blz. 45.