Inhoudsopgave


OPGRAVING KASTEEL VOORST 1 (vervolg)

Over die plek het volgende:
Tijdens de opgraving kwam die plek in beeld toen wij op allerlei bouwmaterialen stootte. Daar wat dieper in de modder gezocht en zoals u hieronder kunt zien werden daar verschillende stukken aardewerk gevonden. Volgens R.v.B. een ideale plek om zaterdags daar met A.W.N.ers meer onderzoek te doen. Jammer was dat door de hoge stand van het grondwater er allerlei problemen ontstonden en we zaterdags de plek niet goed konden bereiken. Na overleg met R.v.B. zijn we iets hoger gaan graven zoals u ook op de afbeeldingen kunt zien. Gelukkig daar een aantal mooie vondsten gedaan.




Dit was de plek waar wij op de donderdag en vrijdag, voordat de A.W.N. op die plek mocht graven, vondsten deden. Siegburgkannen en zelfs rood aardewerk.



Richard Albers bezig met wat scherven te verzamelen en op de middelste foto ziet u nog net links V. Haaff die een aantal kannetjes heeft bloot gelegd. Op een gevonden stuk oud funderingrest de ‘buit’ van Richard.


Zoals ik in het begin al vermeldde mocht Jaap v. d. Berg de scherven mee naar huis nemen om ze schoon te maken. Meestal waren ze al schoongemaakt want dat kwam omdat er een aantal mensen van de werkverschaffing hielpen met schoonmaken en het zeven van de modder. Niet altijd waren die mensen aanwezig en dan moest Jaap de scherven zelf schoonmaken. Jaap heeft verscheidene kannetjes in elkaar geplakt.
R.v.B. had de afspraak gemaakt dat A.W.N.-leden op een bepaalde plek een dag mochten graven. In de praktijk bleek dat erg moeilijk te realiseren en toen het dan ook op zaterdag 3 april 1982 zo ver was waren er bedroevend weinig mensen waarvan de meesten kinderen! Had R.v.B. weinig mensen gebeld of was er geen interesse om in de blubber te graven? Het ging er erg amateuristisch aan toe.



Hier een overzicht van de put waar verschillende stukken hout werden bloot gelegd en waar in de modder het vele aardewerk werd gevonden. Op de tweede afbeelding is te zien dat V. Haaff de gegevens aan het intekenen is en dat Verlinde op z’n knieën de meetgegevens doorgeeft.


Hier is de A.W.N bezig om iets boven de al doorgezochte plek hun onderzoek te doen. Op de kant staan Verlinde. Van Es en Renaud toe te kijken.


De plek is nooit helemaal goed onderzocht. Eigenlijk is alleen de bovenste laag grof doorgespit omdat het grondwater verder onderzoek belemmerde. Een waterpomp die in het begin niet goed werkte en ik besloot daarom een gedeelte met zand af te dammen zodat eventuele vondsten niet konden wegspoelen met het grondwater dat steeds meer omhoog kwam. Dat water kwam dan in de blootgelegde gracht, links te zien op de overzichtfoto, terecht en daar konden wij dan niet meer bijkomen.
Er werd gezeefd en het grondwater, ondanks een pomp, steeg snel. Nog geen vijf minuten nadat ik afgedamd had hadden we het geluk dat toen ik het barnstenen snoer met tinnen kruikje (2,5 cm hoog) onder een mop klei vond, het niet verder weg kon drijven dan tot aan de aangelegde dam. Op het moment dat de snoer in mijn zicht kwam spoelde het meteen weg. Toch zag ik duidelijk dat het tinnen kruikje en de kralen één geheel waren. Het kruikje zat tussen de kralen ingeklemd. Het materiaal dat gebruikt was voor het aanrijgen van de snoer moet vergaan zijn geweest en door het stromen van het grondwater spoelde het weg. Later twijfelde men of het kruikje wel aan de snoer hoorde! Mijn gegeven dat ik de snoer zo gezien had, werd eerst in twijfel getrokken maar later las ik in het ‘kasteelboek’ dat Verlinde van mening is dat de tinnen grape tussen de wat grotere kralen heeft gezeten. Of alle kralen gevonden zijn is nog maar de vraag want zo snel kon ik ze niet tellen. Zulke kleine kraaltjes worden in die blubberbende snel over het hoofd gezien ondanks dat we de modder snel zeefden.
Wat er eventueel in de grape heeft gezeten? Een medicijn? Een haarlok? Misschien zat er nog wel een restant in maar is dat weggespoeld met het water? Tevens vond ik daar nog een 8,5 cm brede houten kam.

Tijdens de opgraving hoorde ik van vrienden uit Westenholte dat R.v.B. twee lezingen zou geven. Eén op de school aldaar en eentje voor bewoners Het bleek dat R.v.B. tijdens de ‘school’lezing de leerlingen uitgenodigd had om eens in de bouwput mee te helpen!!! Daarom vroeg R.v.B. mij of ik op die zaterdag ook aanwezig wilde zijn (dus niet vooraf overleg!).
Een lezing gaf hij ook nog voor de vereniging Vrienden van de Stadskern terwijl de vondsten nog niet onderzocht waren, niet beschreven en de tentoonstelling nog niet plaats gevonden had. Het is maar voor wie je belangrijk gevonden moet worden! Waarom kregen Jaap, Richard en ik geen uitnodiging voor die lezing? Dat aan R.v.B. gevraagd en hij antwoordde dat hij dan voor ons wel een speciale avond wou doen. Dat is op 29 november bij hem thuis gebeurd! Hieruit blijkt dat R.v.B. best wel eens voor rede vatbaar was! Of had hij, na mijn protest, in de gaten dat het normaal zou zijn om medewerkers aan een opgraving ook eens uitleg te geven?.

In de tussengracht werd ook nog een prachtig zwaard gevonden. Of het zwaard gebroken was doordat de R.O.B.-man ongeduldig was tijdens het uitgraven of dat het is gekomen door de zwaarte van het op het zwaard liggende grond is niet bekend maar in ieder geval is de kling keurig gerestaureerd door de R.O.B. Dit unieke korte steekzwaard is waarschijnlijk een vroeg exemplaar van de ‘Schweizerdegen’. Een degen die ook als benaming Basilard of Bazelaar heeft en die naam is afgeleid van Bazel. Het zwaard heeft een totale lengte van 77 cm waarvan de kling 62 cm voor zijn rekening neemt.



Op de voorzijde van de kling, 10 cm onder het gevest, bevindt zich een met zilver ingelegd merk. Het stelt waarschijnlijk een dolfijn voor en is 1 cm breed. Het gevest is 3 - 10,25 cm breed en bestaat uit gevlamd licht bruin wortelnoothout en aan de uiteinden afgezet met zilverbeslag. Op het uiteinde van het gevest is een versiering aangebracht van een koordmotief met daar in opgesloten een rozet. In de koordkrans staan de gotische letters HNAON. Deze letters kunnen staan voor een naam of voor een spreuk. Prof. Dr. J.L. van der Gouw (kasteelboek blz. 65) geeft aan dat het kan gaan om (“h(aec), n(ova), a(rma), o(mnes) dat zoiets betekend als “dit nieuwe wapen doodt (zegeviert over) allen”. Het zwaard, dat van 1362 is of van net iets daarvoor, wordt toegeschreven “aan een notabele of ander belangrijk persoon, die bijvoorbeeld op doorreis naar Rome wel eens door Zwitserland trok”. Tja, zo’n aanname is natuurlijk erg discutabel want waarom moet je op doorreis zijn om zo’n zwaard aan te schaffen! Misschien was het wel een geschenk van iemand aan roofridder Van Voorst en heeft hij het verloren tijdens het gevecht. Ik noem maar iets want als een ander iets mag ‘roepen’ mag ik het toch ook?

De bedoeling van de opgraving was om met een minimale noodzakelijk opgraving de historische structuur van het kasteel en zijn grachten aan de weet te komen voordat het park ‘De Stins’ zou worden aangelegd. Het ging dus niet om een bedreigd terrein maar de kans werd geboden om toch een oriënterend onderzoek te doen. Door de al genoemde steenopruiming op het terrein zijn er nauwelijks bouwresten gevonden. Wel werden verschillende uitbraaksleuven opgemerkt. Enkele muurresten en een groot deel van het grachtenpatroon kon ingetekend worden. Op verschillende plaatsen zijn nog houten palen gevonden maar die zijn op de reconstructietekening van Verlinde niet terug te vinden!

Dat de hoofdburcht waarschijnlijk een ronde vorm heeft gehad was van te voren niet goed ingeschat en dat er een voorburcht direct voor de hoofdburcht was gelegen al helemaal niet. Of er nog een tweede Voorburcht was is NU niet meer te achterhalen want de weilanden rond het Kasteelterrein zijn de afgelopen jaren helemaal vol gebouwd!. Dat de kans zich later nog wel voordeed leest u in Kasteel Voorst 2. Na alle gegevens op een rijtje te hebben gezet bleek ook dat Herman Kamphuis met zijn maquette raak had geschoten want het patroon van de grachten en de ontdekte muren bleken overeen te komen met het kasteel dat in de Duitse plaats Hamm bekend was. Waarschijnlijk hebben beide kasteelheren dezelfde bouwmeester gehad? Herman heeft in 1983/84 nog om extra informatie vanuit Hamm gevraagd en kreeg toen van de stadtarchivarin de gegevens van de opgravingen die in Hamm bij het kasteel in de 70er jaren hadden plaatsgevonden. De vondsten waren ook uit de 13e /14e eeuw afkomstig. Maar veel meer wisten ze niet.
Na de opgraving op het kasteelterrein was er nog een volle week tijd over (ik werd bedankt door de technische man die mijn hulp prima heeft gebruikt en waardoor we op de planning een week hadden verdiend) om op het hoger gelegen weiland een onderzoek in te stellen naar vroege bewoning. Daar zijn toen sporen gevonden van 12e eeuwse bewoning! Veel vondsten die door de detectorjongens gedaan waren werden door de Provinciale Archeoloog Verlinde voor veel geld opgekocht. Het meeste is later verrot teruggevonden in het depot van het museum!!

Ik heb de totale opgraving als erg amateuristisch ervaren. Te weinig volwassenen die hulp konden bieden. Het niet bedreigde terrein is voor de archeologie een goudmijn en wat nu nog in de grond zit kan later met eventuele nieuwe opgravingtechnieken beter onderzocht worden maar mijn vraag is dan: is er in die latere tijd dan niet opnieuw de discussie “laat nog maar even zitten want misschien hebben we later betere methoden van opgraven”? Is dat excuus altijd terecht? In een bijeenkomst die door R.v.B. belegd was om met de pers te praten was ook de toenmalige directeur van het P.O.M., dhr. de Jong, aanwezig. Ik vroeg hem waarom het niet mogelijk was geweest om de grachten van het kasteel te volgen en die dan helemaal uit te graven. De vele vondsten die dan gedaan waren hadden dan zichtbaar gemaakt kunnen worden door in het park een gebouw neer te zetten met de geschiedenis van het kasteel en de vondsten die daar gedaan waren. Een mooi dagtoerisme voor de wijk maar ook voor de stad Zwolle. Hij vond dat eigenlijk wel een goed idee en zou er eens over nadenken. Dat nadenken is nog aan de gang! Ik vind namelijk dat de vondsten van het kasteelterrein erg belangrijk waren voor dateringen. Het was bekend dat de grachten na de belegering in 1362 dicht gegooid waren. Op het terrein is nooit meer bebouwing geweest. Een mooi gesloten vondstcomplex dus. Als er dan een boek uitgegeven zou worden met de afbeeldingen van de gevonden voorwerpen dan zou er in de archeologische wereld minder (daterings)discussie zijn over gevonden voorwerpen. Tijdens de opgraving zijn er namelijk verschillende voorwerpen gevonden waarvan men voor die tijd niet wist hoe oud ze waren. Vaak was het gissen naar een datering maar nu werd vastgesteld dat de voorwerpen van vóór 1362 moesten zijn. Daarom deed ik het voorstel voor een totale opgraving van de grachten. En de kosten? Ik weet zeker dat er sponsoren voor waren gevonden en dat heb ik ook aan de Jong verteld. Maar ja, wie ben ik!

Een voorbeeld hoe detectors belangrijk kunnen zijn voor onderzoek: Prof. Renaud had in de tijd dat hij kastelen aan het opgraven was één ijzeren pijlpunt gevonden. Dankzij het tijdperk van de detectors zijn er op het ‘Voorstterrein’ honderden gevonden. De verschillende pijlvormen zijn getekend en in het ‘kasteelboek’ terug te vinden. Of alle door de coinhunters gedane vondsten aangegeven zijn is nog maar de vraag maar in ieder geval zijn er velen die hun vondsten wel gemeld hebben.

Er zou in september 1983 een tentoonstelling komen in het P.O.M.. In juli werd ik gevraagd of het mogelijk was om de grote eiken balk op te knappen. De balk hadden wij gevonden in de sleuf waar later de A.W.N. mocht graven. De eiken balk was 4,6 m lang en 30 cm dik. Waarschijnlijk gaat het om een stijl die in het hart van een z.g. kruisvenster heeft gestaan.

Ik ben toen een hele dag aan het afkrabben en schuren geweest. De balk in de was gezet. (Ze wisten dat ik erg goed kon restaureren en dat ik ook nog met bijenwas werkte.) Ik heb daar toen 40 gulden voor gekregen want ik moest dat als hobby zien!! Het bedrag was voor de was die ik gebruikt had! Eind augustus had ik dat bedrag nog steeds niet ontvangen en deed mijn beklag bij Lidy van Dijk (conservator). Zij zorgde er voor dat het bedrag op 30 augustus aan mij uitgekeerd werd.
Er werd ons nog beloofd dat er een voorvertoning van de voorwerpen zou plaatsvinden maar ook die afspraak is men nooit nagekomen.

In het ‘Kasteelboek’ zijn afbeeldingen en de reconstructietekening in zwart-wit afgedrukt. De gevonden muurresten en palen, behalve die in de zuidgracht, zijn op deze tekening niet ingetekend!! Voor de duidelijkheid heb ik de gereconstrueerde muren en wateren, net als de gegraven sleuven voor de duidelijkheid in een kleur aangegeven.

Na deze officiële opgraving gebeurde er in 1983 een aantal zaken waardoor er meer vondsten gedaan konden worden op het Kasteelterrein. De meeste van deze vondsten konden nog ingebracht worden voor de tentoonstelling die op 3 september 1983 begon. Deze en latere vondsten zijn gepubliceerd in Overijsselse Historische Bijdragen 100, 1985, en in ROB overdrukken Nr. 269. Hoe dat alles in zijn werk is gegaan leest u in ‘Kasteel Voorst 2’. Maar ik wil u adviseren om eerst Ossenmarkt 1982 te lezen zodat u helemaal op de hoogte bent van de naweeën van de eerste Kasteel Voorst opgraving en welke consequenties dat voor mij had.



Geld verdienen bij EuroClix