Inhoudsopgave


OSSENMARKT 1982 (vervolg)

De draglinemachinist hielp ons om de wanden van de put te verwijderen. Ik wil even vermelden dat het ondertussen behoorlijk was gaan regenen en dat de bouw haast had. Tijd om de put troffel voor troffel leeg te halen was er niet. Het was iets of niets! Er kwam een 17 eeuws medicijnfles op de kant terecht vlakbij waar Verlinde en dhr. Smit stonden. Deze raapte de fles op en vroeg aan mij of het iets bijzonders was. Omdat ik er een beetje nonchalant over deed werd het langwerpige flesje mij toe geworpen!!! Ik ving het behoedzaam op.
Omdat de regen niet ophield liep het water ons in de nek en bij onze laarzen in. Op de plaats waar de muren van de put weggehaald waren vormde zich een slootje en plakten we aan de grond vast. De drab kwam ons in de ogen en we zagen er niet uit. De ‘heren‘ waren samen met Ruud vertrokken en wij modderden verder.

Omdat er leuke vondsten gedaan werden was de interesse voor de kleine scherven miniem. Ook de onervarenheid van de andere gravers was een probleem. Ondanks dat ik ze steeds waarschuwde om zoveel mogelijk op dezelfde plek te blijven staan en zo vooruit te werken, was dat tegen dovemansoren gezegd. Omdat zij steeds verder naar boven met hun voeten kwamen te staan trapten ze het daaronder liggende materiaal kapot en steeds dieper de prut in en dat werd zo niet gevonden. Daarbij kwam natuurlijk ook dat het grondwater steeds meer ging stijgen en je wel naar boven moest. Toen het te donker was om door te werken besloten we om te stoppen. Bekaf, koud en doorweekt van de regen! De vondsten werden verzameld en vervoerd naar mijn huis aan de Wipstrikkerallee. Met de tuinslang het meeste van ons afgespoeld en toen heerlijk voor de open haard met een glas wijn de vondsten bekeken en verdeeld.

Arnold Carmiggelt (de latere stadsarcheoloog van Den Haag!) kreeg o.a. een koperen blaker en een tinnen brandewijnkom. Daar was één oor af maar die werd later gevonden in het restmateriaal en ik heb Arnold later dat oor gegeven. Jens wilde wat potjes en Jaap wat potjes en de slanke medicijnfles. Ruud heeft later voor het museum 22 stuks vondsten uitgezocht waaronder de troffel, Kloten-/nierdolk, vergiet, bordjes van hout, slibgrape, wanfriedbord van 1618, een dakpan met uilengat, een po, verschillende Jacobakannetjes, glas en nog wat borden etc.. Verder heb ik R.v.B. nog de scherven meegegeven van het blauw-grijsaardewerk die ik gevonden had in de ‘Dolkput’. De scherven konden als datering dienen net als de Jacobakannetjes. Achteraf maar goed dat ik die scherven niet weggegooid had en aan Ruud meegegeven had want... lees Ossenmarkt 1983 juni-juli maar eens. Voor zichzelf had Ruud een paar 17 eeuwse koperen vingerhoedjes, benen naaldenkoker, 14-15 eeuwse kaardekam en wat aardewerk meegenomen.


Eén van de vondsten voor het museum was een Wanfriedbord met het jaartal 1618.


Ik maakte de fout om de volgende dag te laat naar de bouwplaats te gaan. Toen ik kwam waren de restanten uit de beerput al weg gegraven en afgevoerd naar Westerveld. Niemand die zich er druk om maakte! Stom, stom.
Na het schoonmaken en uitzoeken van de scherven bleek namelijk dat er veel scherven ontbraken!! Om de scherven schoon te maken had ik 1½ week nodig maar Jens, Ruud en Jaap hebben keurig, zoals afgesproken was, twee dagen geholpen zoals u op de foto’s kunt zien. Nadeel van beer dat nog aan de schreven vastzit is dat het zo stinkt!

Op een dag kwam er nog een stortlaag/kuil tevoorschijn waarin fragmenten van twee 14-15 eeuwse vetvangers werden aangetroffen samen met Siegburgscherven. U moet niet vergeten dat de twee draglines door moesten draaien om de af en aan rijdende vrachtauto’s te vullen. Ik moest daarom soms voor de draglinebak springen om iets veilig te stellen. Omdat ik vrij goed met de draglinemachinisten om kon gaan, gewoon af en toe een visje of croquet voor ze ophaalde, lieten zij mij dan even op de desbetreffende plek graven en zodra ik daar weer weg was gingen zij met hun werk daar weer verder.




U ziet de grote hoeveelheid aan scherven dat schoongemaakt moest worden. Steeds ben je benieuwd wat je voor scherf je te pakken hebt en of die ergens bij hoort.
Zwart-wit foto gemaakt door Jens van Stralen.


Door meting en gebruik te maken van afbeeldingen waar zo’n 14-15 eeuwse vetvanger op te zien is heb ik het linkerfragment gebruikt voor een reconstructie/restauratie.


Langs een zijgevel kwamen zalfpotjes en flesjes tevoorschijn. In een halve put een stuk baardman en scherven van een Wanfriedbord met het jaartal 1610. We konden het even niet aan. Nauwelijks tijd om de putten te markeren op de tekening en dan is het prettig als je veel dia’s kunt maken zodat je later de plaats weer terug kunt vinden en in kunt tekenen.


Plotseling het geluid van een claxon dat er iets in zicht kwam. Bleek de helft van een put waar alleen maar 17-18 eeuwse glasresten in zaten! Heel jammer dat de andere helft al op de vrachtauto lag en net wegreed. De put was gemaakt van dakpannen zoals u op de afbeelding kunt zien. Foto: Jan de Koning (gem. Zwolle).
In een put nog 2 wandtegels en een sauspotje. Diepte gefotografeerd en profiel opgemeten.


Terwijl wij op een morgen bezig waren om scherven uit een afvalkuil te halen was de dragline op een andere plaats aan het draaien. Even later riep de machinist mij en haalde twee flessen tevoorschijn die hij op die plek gevonden had. Het bleken flessen te zijn uit het begin van de 18e eeuw van het zgn. paardenhoefmodel. Ik heb deze flessen van hem gekocht. Later met Jaap een fles geruild tegen het lange smalle medicijnflesje dat bij de grote put tevoorschijn was gekomen. Plotseling de vondst van het koperen pannetje. De dragline was namelijk vrij diep de grond aan het verplaatsen en we konden alleen maar toekijken. Plotseling zag ik wat wegrollen en omdat vlak ervoor de flessen door de draglinemachinist opgeraapt waren dacht ik aan een fles. Toen ik de diepte indook en het voorwerp opraapte bleek het om een koperen pannetje te gaan.

Ik liet Ruud het pannetje zien en die wilde het direct houden waar ik natuurlijk niet zo gecharmeerd van was. Opnieuw zou een mooi voorwerp aan mijn neus voorbij gaan. Heb hem toen stevig toegesproken dat ik er niet alleen was om de scherven te vinden maar dat ik ook wel eens een gaaf voorwerp wilde hebben. Omdat ik al zag dat het interessant was meteen een claim op het pannetje gelegd. ‘Of hij het dan mee mocht nemen, schoonmaken en fotograferen’? Natuurlijk mag je dat Ruud! Middags heeft hij het keurig teruggebracht maar het schoonmaken had hij wel met een schuursponsje of iets dergelijks gedaan waardoor de patina grotendeels verdwenen was en op de bodem had hij daardoor het meeste tin er af geschuurd! Ik natuurlijk woest. Wist hij veel dat er op koperen voorwerpen die met het eten in aanraking kwamen een tinlaag aanwezig is? Wat een guppie! Opnieuw bleek hier wel uit dat hij niets van voorwerpen af wist en totaal geen kennis had hoe je dat moest schoonmaken of restaureren. Hij had het gewoon met warm water af moeten spoelen. Dat het koper zwart van de oxidatie was, was natuurlijk niet mooi genoeg voor een foto? Het pannetje bleek na mijn onderzoek een Zwolse melkmaat te zijn en ik heb dat beschreven in het artikel Zwolse Gewichtigheden.

Na de verdeling voor het museum een bittere smaak in de mond gekregen. Voordat Ruud uit mocht zoeken hem duidelijk gemaakt dat bepaalde zaken niet gekozen konden worden omdat ik die zelf wilde houden. Dat recht had ik gezien de afspraken vooraf. Mopperend ging hij daarmee akkoord. Een slibkruikje en het pannetje wilde ik zo wie zo plus dat ik mee wilde delen in de rest. Bij mij thuis in de Wipstrikkerallee had ik de vondsten per beerput uitgestald zodat er een goed overzicht was.
Ruud zorgde goed voor het museum: 22 stuks. De prijs waar hij aan dacht was 500 gulden en dan moest de helft naar de A.W.N. gaan!!!! Ik ging daar niet mee akkoord en gaf aan dat 1500-1750 eerlijker zou zijn. Dit ook omdat ik nog materiaal, 4 november, aan de bouw (financieel directeur Pietersen en later nog eens 2 opzichters) en aan de stichting moest overdragen en dat ook nog voor hun moest restaureren (je moet vriendjes blijven). Er werd een bedrag van 1200 voor mij afgesproken. Zo had ik in ieder geval mijn verloren gereedschappen, bekeuring, autogebruik etc. een beetje terug. Ruud ging akkoord en zou het regelen. Opmerking: die enkeling van de A.W.N., Jaap, Arnold en Ruud, die voor zichzelf vondsten uit de verdeling mee hadden genomen en die in verhouding nauwelijks geholpen hadden, om dan de helft van het bedrag voor de A.W.N. af te staan was natuurlijk te zot voor woorden. De machinekosten van 174,64 heb ik voor ze betaald en dat vond ik genoeg. Achteraf eigenlijk helemaal te gek want ik heb wel bijna 1½ jaar op de uitbetaling van die 1200 gulden moeten wachten terwijl ik wel de (on)kosten al betaald had! Wat ben je dan lastig hé!
Personen die van de bouw aanwezig waren: Frank Docter, Jan van Ommen, Hekelson en Pietersen van de firma Schutte en V.d. Vegt van Mensink.

Opmerking 2011: begin 2000 verscheen het boek ‘Zwolle Ondergronds’. De stadsarcheoloog Hemmy Clevis beschrijft daarin een zevental blikvangers uit de Zwolse opgravingsgeschiedenis. Op blz.65 heeft hij kritiek op de wijze waarop in 1982 de opgraving op de Ossenmarkt heeft plaatsgevonden. Er zou vrijwel niets vastgelegd zijn van het archeologisch onderzoek en “het lijkt er bovendien op dat een deel van de eigenlijke gravers er voornamelijk op uit was om hun particuliere collectie te vergroten. Wat Van Beek wist te redden voor het museum was dan ook maar een magere afspiegeling van de werkelijkheid. Zo waren alle vondsten uit de verschillende complexen door elkaar gegooid. En heel duidelijk ontbrak elke majolica vondst evenals blauw geschilderde faïence. Dat laatste was vooral zo duidelijk omdat het witte Italiaans niet als zodanig was herkend, waardoor deze materiaalsoort, die duidt op rijke milieus, wel in het museum terecht is gekomen. Onderzoek van het overgebleven materiaal heeft weinig wetenschappelijke gegevens opgeleverd. Het was meer detectivewerk naar wat ontbrak dan onderzoek naar de totaliteit van de vondsten. Verbanden leggen naar de gebruikers was onmogelijk”. Tot zover de tekst van Clevis. Dat Vincent van Vilsteren van mij, via R.v.B., nog een beermonster (21 liter) ontvangen heeft en het onderzoek daarvan gepubliceerd heeft in het jaaroverzicht van 1982 in het huisblad van ‘Vrienden van de Stadskern Zwolle’, is Clevis waarschijnlijk ontgaan.

Ja, ja, commentaar van iemand die niet eens bij de opgraving aanwezig is geweest en al helemaal niet de omstandigheden weet waaronder er gewerkt moest worden en welke afspraken er gemaakt waren! Hij zal de verhalen wel ontvangen hebben van Verlinde en R.v.B. terwijl die maar een enkel uurtje of nauwelijks bij de opgraving aanwezig zijn geweest. Verder wil ik dan nog even verwijzen naar het begin van dit artikel waar ik bij de ‘Opmerking 2012’ al heb aangegeven wat de werkelijke reden was waarom R.v.B. en Verlinde geen tijd konden of wilden vrijmaken om onderzoek te doen op de Ossenmarkt. Om dan een verhaal op te hangen die resulteerde in de tekst van Clevis in 2000 is tekenend voor de wijze waarop zij zichzelf vrij proberen te praten. Clevis heeft wel vaker uitspraken gedaan die kant noch wal raken maar het probleem is dat het in zijn teksten staat en als ik geen tegenwicht daaraan geef die teksten hun eigen leven gaan leiden.
Dat R.v.B. stadsarcheoloog Clevis verteld zal hebben dat alles door elkaar heen lag is gedeeltelijk waar. Het is maar hoe je dat interpreteert. Per gevonden laag of beerput lagen de vondsten namelijk achter mijn huis bij elkaar toen R.v.B. het materiaal voor het museum uit kwam zoeken. In mijn notities had ik echter precies opgeschreven waar die vondsten vandaan kwamen en uit welke put. Dit had ik op de opgravingplattegrond ingetekend. R.v.B. heeft daar totaal geen interesse in getoond. Dat hij weinig verstand had van zaken die Clevis later wel belangrijk vond is niet mijn probleem maar om nu te schrijven dat dankzij Van Beek er nog wat gered was voor het museum is erg. Zoiets noem ik ‘iemand een veer in de kont steken’ terwijl die dat absoluut niet verdiende! Lees bibliotheek eens goed want daar komt het ook in voor. Clevis schrijft: ‘Onderzoek van het overgebleven materiaal heeft weinig wetenschappelijke gegevens opgeleverd.’ Overgebleven materiaal onderzocht? Tot op de dag van vandaag is dhr. Clevis niet bij mij thuis geweest. Dat hij de meegenomen vondsten van de andere gravers heeft onderzocht is mij niet bekend maar lijkt mij sterk. Maar als Clevis wil weten wat die allemaal uitgezocht hebben is hij bij mij thuis welkom voor zijn verdere onderzoek. Tevens kan hij dan de door mij gemaakte opgravingtekening inzien. Dat ik daarover geen verantwoording aan hem hoef af te leggen is voortgekomen uit de afspraken die ik gemaakt heb met Verlinde. Om dit soort zaken aan de kaak te stellen heb ik in 1989 mijn Zwols Archeologisch Dagboek geschreven en beschrijf ik hier de voorvallen waar in het Dagboek geen plaats meer voor was.

Na ettelijke keren gevraagd te hebben hoe het met die betaling was heb ik na bijna 1½ jaar het bedrag van het museum ontvangen. Waarschijnlijk heeft R.v.B., toen het eerste overleg over de Ossenmarkt plaatsvond, Popie Jopie willen spelen en tegen de mensen van het museum gezegd dat hij wel iets zou gaan regelen maar er niet bijgezegd dat het aangekocht moest worden. Toen ik dat dan ook aangaf zat R.v.B. in een moeilijk parket. Hij moest het museum om geld vragen!
Ik heb toen eens een berekening gemaakt wat mij de Ossenmarktopgraving kostte nadat ik alles gerestaureerd had. Dat was in totaal 990,64 gulden. Daarin ook de rekening van de dragline, bekeuring, afschrijving gereedschap, verdwenen gereedschap, materiaal voor restauratie zoals gips, lijm, tape en conservering van het houten handvat van de dolk. Dat ik er vele uren in had gestoken is in het bedrag niet opgenomen en ook de tijd voor restauratie van de potjes voor de opzichters etc. heb ik in het bedrag niet verrekend. Afschrijving en brandstof voor mijn auto heb ik maar weggelaten want dan moest er nog geld bij!
Samen dus een behoorlijk bedrag aan onkosten gemaakt. Als je dan 1200 gulden krijgt voor het regelmatig in die maanden aanwezig zijn, het werken in de blubber etc. (het uitzoeken en schoonmaken van het vondstmateriaal dus niet meegerekend) daar word je echt niet rijk van. Natuurlijk zijn er nog voorwerpen in mijn bezit die later wat op kunnen brengen. Maar ik heb ook gegevens gevonden die voor de geschiedenis van de stad Zwolle van belang zijn. Om over de gegevens van het 14e eeuwse loodglas nog maar even te zwijgen. Mag ik er dan ook iets aan overhouden?
Van de dakpan waar een uilengat in zat die ik aan Ruud gegeven heb, heb ik nooit meer iets vernomen. Ik had een tas met ijzervondsten waar Ruud een gesp uithaalde en hij vroeg of ik die voor hem wilde restaureren. Zo ben ik wel!
Ruud heeft als extra uit de opgraving meegenomen: 2 schoenen uit een put waarvan de datering 14e-15e eeuw was en nog een schoen waar een Siegburgscherf in zat. Dit zou hij, net als de textielvondsten en het hout, laten restaureren door de R.O.B.. Dierenschedels en beermonsters zijn via Ruud naar Vincent v. Vilsteren gegaan.
Een opsomming van wat textiel dat ik aan R.v.B. gegeven heb: 1-wol, 10 x 22cm, platbinding. Zijde 18/10 x 23. Fluweel zijden bandje. Zijde met nestel (strik 5 x 15). Zijde 21 x 16,5. Zijde/fluweel 6,5 x 12. Linnen gevouwen. Zijde met figuur 4 x 30. Zijde 1,7 x 6,5 satijnverbinding. Zijde 5/1 x 32 keperverbinding met resten van??

Verder hebben de opzichters verschillende zalfpotjes, flesjes en mineraalwaterkruiken gekregen en dhr. Smit nog een kruik (H.N.) uit 1803. De belangrijkste vondstgegevens die ik, volgens afspraak, aan Verlinde en R.v.B. heb doen toekomen, hebben zij verwerkt in verschillende artikelen. O.a. in ‘Overijsselse Historische Bijdragen’ van 1983, Archeologische Kroniek van 1982. De leervondsten zijn door Olaf Goudbitz beschreven. Vreemd is wel dat Goubitz het over 17 eeuwse schoenfragmenten heeft terwijl ik zeker weet dat de complete schoenen die ik gevonden heb veel vroeger waren. Waar zijn die gebleven? Waarom mag ik als vinder mijn eigen vondsten niet beschrijven? Het textiel heb ik nooit weer gezien maar ook geen publicatie over gelezen. Als Clevis het dan heeft over wetenschappelijk wat bedoeld hij daar dan mee? Ik wil hem adviseren eerst eens in eigen keuken orde op zaken te stellen voordat hij een ander ergens van beschuldigd.

Het blijkt weer eens dat de genoemde personen alleen maar belang hebben om zoveel mogelijk te publiceren en dat anderen niet eens een kans krijgen. En iedereen maar denken, want die suggestie wordt door ze gewekt, dat ZIJ diegene zijn die al dat werk en vondsten doen. Mooi dus niet! R.v.B. maakt het helmaal bont. In het huisblad van ‘Vereniging Vrienden van de Stadskern Zwolle’ van 1982 en ook van 1983 staat een rubriek ‘Archeologische Werkgroep’. Onder die noemer heeft hij de opgraving van de Ossenmarkt beschreven. Hij vermeldt mijn naam daarbij en vergeet zichzelf natuurlijk niet maar wel de naam van mijn vriend Jens van Stralen! Jens die meerdere weken aanwezig was! De andere namen waren van de ééndagshelpers van de A.W.N. In de tekst weet hij ook nog te vermelden: “Ook nu weer moet geconstateerd worden dat de aanvankelijke vrees van opdrachtgevers en uitvoerders van stillegging van het werk, als gevolg van het archeologisch onderzoek, ongegrond bleek en dat met goed overleg en wederzijds vertrouwen, het cultureel belang van archeologisch onderzoek in de binnenstad van Zwolle kan worden gediend.” Ik wil hier even opmerken dat dat niet zijn verdienste was zoals u uit de tekst hierboven kunt opmaken! Daarna gaat zijn tekst verder met een uitleg waarom er een stadsarcheoloog moet worden aangesteld. Een verslag dat druipt van het slijm en menig hooggeplaatst persoon in de ambtenarenwereld geeft hij een schouderklop! Blijkbaar is dat de methode om belangrijk gevonden te worden.
Omdat ik mij niet bewust was dat ik in een archeologische werkgroep zou zitten daar Ruud op aangesproken en de secretaris van die vereniging een brief gezonden. Zoiets moet je niet doen Egbert want dan schrikken ze en ben je in hun ogen een lastige jongen. Een tegenbericht met bijvoorbeeld de vraag ‘wat is er werkelijk aan de hand’ heb ik nooit mogen ontvangen. Ze deden de was, hieven het glas, deden een plas en lieten zoals het was!

Ik hoop dat u door deze tekst inzicht hebt gekregen van de problematiek waar ik mee te maken heb gehad.